Pensioenen verdrukken lonen: een hypothese (3)

De bezittingen van pensioenfondsen nemen sterk toe sinds begin deze eeuw. Deze reeks stelt de vraag of deze enorme kapitaalaanwas de lonen verdringt. In dit derde en laatste deel bespreek ik de productiefunctie. De andere delen gaan in op economisch gedrag en marktwaarde in relatie tot andere waarderingen.

Productiefunctie

Hoe werkt de druk van zoveel kapitaal? Met een vrij simpel economisch model is dat te bekijken en dat gaan we in dit deel doen.

De Cobb-Douglas productiefunctie wordt in de economie gebruikt om te beschrijven hoe kapitaal en arbeid samen tot productie leiden. De functie ziet er (versimpeld) zo uit:

Y is de productie, gemaakt met L, arbeid, en K, kapitaal. De coëfficiënten a en b beschrijven de stand van de techniek, en daarmee hoe arbeid en kapitaal in de uitgangssituatie worden beloond. Als a en b precies optellen tot 1 en L en K gelijk groeien, neemt Y met diezelfde groei toe.

Een voorbeeld, waarin arbeid en kapitaal allebei op 100 beginnen en waarna arbeid met 10% groeit en kapitaal met 100%:

Als L en K gelijk zijn, komt dat er ook uit voor Y. Maar als dat niet zo is, is er sprake van afnemende meeropbrengsten: Y neemt niet toe met 55, het gemiddelde van L en K, maar slechts met 48,3.

De afnemende meeropbrengsten van dit model spreken intuïtief aan. Want anders zou je (op korte termijn) oneindig kapitaal kunnen toevoegen, zonder dat dit effect heeft op het rendement. Dat is niet realistisch. Er kan veel geautomatiseerd worden, maar elke machine heeft vaak toch nog af en toe een mens nodig. Elke volgende automatiseringsslag is naar verwachting lastiger, en daarmee duurder, omdat eerst de makkelijkste dingen worden geautomatiseerd. Alleen op de (zeer) lange termijn is voorstelbaar dat er “ongestraft” in kapitaalgoederen geïnvesteerd kan worden, want op die langere termijn kan technologie nieuwe mogelijkheden bieden.

Vervolgens heb ik in dit model enkele echte reeksen gestopt om over een wat langere periode te zien wat er dan uitkomt, zie onderstaand figuur. In de linker helft staan de ingevoerde reeksen en de eerste macro-economische uitkomsten. Vanaf 1999 zijn voor arbeid (L) de arbeidsuren vanaf 1999 genomen en voor kapitaal (K) de vorderingen van pensioenfondsen. Deze zijn omgezet in indexcijfers en beide beginnen dus in 1999 op 100. De coëfficiënten a en b staan op 0,8 en 0,2. Die zijn zo gekozen dat de kengetallen die straks volgen enigszins herkenbaar zijn. Tot slot is vastgezet dat arbeid een vaste beloning per eenheid krijgt (weer die 0,8). Niet onredelijk ook, temeer die (op korte termijn) zeker naar onderen nogal star is. Lonen gaan eigenlijk niet omlaag. De rest van de productie (Y) gaat vervolgens naar kapitaal (K). De totale beloning (gelijk aan Y) bestaat uit de beloning voor arbeid (yL) en kapitaal (yK).

In de rechter helft staan vervolgens de kengetallen die laten zien wat er gebeurt als kapitaal (K) onstuimig groeit in dit model. De beloning voor arbeid per eenheid arbeid (yL/L) loopt vlak, want die staat vast. De afnemende meeropbrengsten komen daardoor helemaal voor rekening van kapitaal. De beloning per eenheid kapitaal (yK/K) daalt sterk, wat in lijn ligt met de huidige praktijk van lage rentes, rendementen, en rendementseisen.

Maar, terwijl de beloning per eenheid kapitaal daalt (yK/K) stijgt toch het aandeel van kapitaal in de totale beloning (yK/Y). Ondanks dat de beloning voor kapitaal, in dit gestileerde model, alle schaalnadelen krijgt. De hoeveelheid kapitaal duwt als het ware het aandeel van arbeid in de totale beloning (yL/Y) omlaag. In de echte wereld daalt deze zogeheten arbeidsinkomensquote inderdaad. Overigens niet zo extreem als in deze voorbeeldberekening. In de echte wereld zijn er ook veel meer factoren in het spel, zoals voortschrijdende techniek, schaalvoor- én nadelen, het buitenland, onderwijs, enzovoort.

Deze berekeningen met de Cobb-Douglas productiefunctie tonen wel dat met een eenvoudig model uit de economie, met alleszins redelijke aannames, uitkomsten rollen die we in het echt ook zien. Als “geïnvesteerd” kapitaal in het model net zo toeneemt als in het echt, is er, ondanks sterk afnemende meeropbrengsten voor kapitaal, sprake van een situatie waarin kapitaal een groter aandeel in het inkomen verwerft, ten koste van het loonaandeel.

Conclusie

Duidelijk is geworden dat een enorme aanwas van kapitaal, zoals we die in Nederland zien bij de pensioenfondsen, wellicht nadelige invloed heeft op de loonontwikkeling. Vanuit verschillende invalshoeken kan de kapitaalaanwas inderdaad de lonen verdrukken. Meer onderzoek is mogelijk naar zaken als: hoe productiviteit van arbeid (en kapitaal) meten als bedrijven investeren in (immateriële) activa die niet op de balans “horen”; wat is de plek van pensioenfondsen in de macro-economie, daar ze contra-intuïtief (moeten) reageren op lagere rentes/rendementen?

Advertisements

Pensioenen verdrukken lonen: een hypothese (2)

De bezittingen van pensioenfondsen nemen sterk toe sinds begin deze eeuw. Deze reeks stelt de vraag of deze enorme kapitaalaanwas de lonen verdringt. In dit tweede deel bespreek ik marktwaarde in relatie tot andere waarderingen. De andere delen gaan in op economisch gedrag en de productiefunctie.

Marktwaarde en andere waarden

Ook de marktwaarde van Nederlandse ondernemingen is hard gestegen: de waarde van alle uitstaande aandelen in Nederland verviervoudigde bijna zelfs. Een nog krachtiger stijging dan de toename van de bezittingen van pensioenfondsen.

Deze waardestijging komt bij lange na niet zo sterk naar voren in de niet-financiële activa van Nederlandse ondernemingen. Daar kwam tussen 1999 en 2016 circa de helft bij. Uiteraard kunnen bedrijven meer dan vroeger bezittingen hebben die niet op de balans staan maar wel waarde hebben. Een opgebouwd merk is daarvan een voorbeeld.

Hetzelfde beeld rijst wanneer gekeken wordt naar de kapitaalgoederenvoorraad. “Kapitaalgoederen zijn geproduceerde materiële of immateriële activa die langer dan een jaar in het productieproces worden gebruikt. Voorbeelden zijn gebouwen, machines, vervoermiddelen, software en dergelijke.” (CBS)

De relatieve toename van de marktwaarde van aandelen in Nederlandse ondernemingen ten opzichte van andere waarderingen kan door veel veroorzaakt zijn. Wellicht zijn ondernemingen sinds 1999 “slimmer” gefinancierd waardoor het rendement op de aandelen hoger is, en ze daardoor meer waard zijn. Zoals gezegd, kan het ook komen doordat bezittingen die niet op de balans horen, zoals merken, belangrijker zijn dan vroeger. Misschien zijn bedrijven gewoon winstgevender, en is hun waarde ten opzichte van hun activa dus nu hoger. En de rente op obligaties en spaarrekeningen is laag. Wellicht is de rendementseis op aandelen bij meer marktdeelnemers dan pensioenfondsen lager dan vroeger. Dat laatste heeft als gevolg dat kopers meer bereid zijn te betalen voor dezelfde verwachte kasstroom (zoals dividend).

De verklaring, die als rode draad door deze reeks loopt, is dat er (daarnaast) zoveel kapitaal een bestemming zoekt, dat de marktwaardering veel hoger ligt dan de balanswaarde van de onderliggende niet-financiële activa. Dit kan werken omdat arbeid, kennelijk onder druk van zoveel kapitaal, met een kleiner aandeel in het vergaarde inkomen genoegen moet nemen.

Pensioenen verdrukken lonen: een hypothese (1)

De bezittingen van pensioenfondsen nemen sterk toe sinds begin deze eeuw. Het gaat 2018 eind 3e kwartaal om ruim 1.400 miljard euro. In de nationale rekeningen worden deze bezittingen vorderingen genoemd. Vorderingen van pensioenfondsen betreffen vooral aandelen en schuldbewijzen (obligaties).

Ook als deze bezittingen in perspectief gezet worden, door te delen door het BBP van het voorgaande jaar, blijft de groei sterk. Begin deze eeuw waren de vorderingen van pensioenfondsen circa 100% uitgedrukt in het BBP, en inmiddels gaat het om bijna 200%. Een verdubbeling. Deze groei is er om in de toekomst voldoende in kas te hebben om pensioenen te betalen. Het belang hiervan voor (toekomstige) gepensioneerden staat hierna wat dat betreft niet ter discussie.

Wel roept het de vraag op of deze enorme kapitaalaanwas de lonen verdringt. Immers, al dit kapitaal verwacht inkomen te genereren en elke euro toegevoegde waarde van de Nederlandse economie die naar kapitaal gaat, gaat niet (meer) naar arbeid. Hierna volgen verschillende perspectieven om naar de problematiek te kijken. In dit eerste deel bespreek ik economisch gedrag. De volgende delen gaan in op marktwaarde in relatie tot andere waarderingen en de productiefunctie.

Economisch gedrag

Een versimpelde weergave van de economie is de wet van vraag en aanbod. Als de prijs van iets daalt, verwacht je dat er, onder verder gelijke omstandigheden, minder van wordt aangeboden. Immers, sommige producenten kunnen tegen die lagere prijs niet meer rendabel produceren. Andersom geldt dat als er meer aanbod afgezet moet worden, en verder weer niks verandert, de prijs wel omlaag moet.

Als de spaarrente dus daalt, verwacht je als reactie dat het aanbod van spaargeld daalt. Als oppotten weinig oplevert, kun je het beter uitgeven. De spaarrente kan bijvoorbeeld dalen door een rentebesluit van de centrale bank. Andersom geldt dus ook dat als het aanbod van spaargeld van buitenaf toeneemt (kwantitatieve geldverruiming wellicht), de prijs (spaarrente) wel omlaag moet.

Omdat pensioenen met een bepaald doel geld opsparen voor de deelnemers, speelt er echter nog een tweede effect. Het pensioenfonds heeft als doel een bepaald pensioeninkomen te bieden, en spaart namens de deelnemers net zoveel geld als nodig is om dat doel te bereiken. Dat betekent dus als de prijs van geld (rente) daalt het pensioenfonds, in plaats van minder, meer geld gaat aanbieden om te investeren. Want bij een lagere rente moet je meer beleggen voor hetzelfde eindresultaat. Dit is waarom dekkingsgraden zo laag zijn, ondanks de enorme stijging in de eerdere figuren. Ondanks alle extra inleg is het verwachte eindresultaat bij de huidige lage rente matig. Juist vanwege het lage rendement moeten pensioenfondsen groeien.

Als kapitaal zo goedkoop is, is het voor werkgevers vervolgens ook goedkoop om arbeid te vervangen door kapitaal. Je kunt dus met de wet van vraag en aanbod redeneren dat arbeid en kapitaal met elkaar concurreren, waarbij kapitaal naarstig op zoek is naar voldoende rendement in euro’s en daardoor met een relatief lage beloning per eenheid kapitaal genoegen neemt. Die lage beloning per eenheid kapitaal drukt vervolgens ook op de beloning voor arbeid.

Waarom moet Nederland CO2-uitstoot terugdringen?

Als reactie op #klimaatverandering zijn er drie beleidsopties voor Nederland:

  1. CO2-reductie, zelf (#klimaatakkoord) en samen met het buitenland.
  2. Dijken verhogen en andere maatregelen nemen tegen de gevolgen.
  3. West-Nederland ontruimen.

Hoe komen we bij de eerste uit?

Optie 3 is serieus én absurd. Met www.ruimtevoorderivier.nl ontruimen we al gebieden. Maar, in de kustprovincies liggen de grote steden. Hier wonen en werken veel mensen. De kust ontruimen met het daar geïnvesteerde kapitaal is onbestaanbaar.

Dijken verhogen en andere maatregelen nemen, is net zo onrealistisch. Als de klimaatverandering niet afremt, wordt dat onbetaalbaar. Te hoog. Te breed. En wanneer stopt dan het beschermen en start het ontruimen? Hoeveel kosten zijn dan al gemaakt? Onbetaalbaar.

Nederland is kortom voor een betaalbare oplossing afhankelijk van anderen en moet daar naar handelen. Alleen als de opwarming afremt, door die anderen, blijft de aanpassing aan het klimaat voor Nederland betaalbaar. Dan is voorbeeldig zijn of minstens in de pas lopen vereist.

Het herstel van de ozonlaag heeft bovendien aangetoond dat je van internationaal samenwerken wat mag verwachten (https://nl.m.wikipedia.org/wiki/Montrealprotocol).

CO2-uitstoot terugbrengen is daarom een serieuze optie, en goedkoper dan het Rémi op te lossen met waterwerken of ontruiming.

Het idee dat er zonder enorme kosten een toekomst is voor Nederland, is onzin. Gebieden ontruimen of dijken bouwen is onbetaalbaar. Het is goedkoper om in internationaal verband het probleem aan te pakken, en zelf het goede voorbeeld te geven.

Ophef ING mist doel

Banken moeten veilig en begrijpelijk zijn. We willen niet weer een crisis zoals de laatste. Schoppen tegen het salaris van de topman, zoals nu bij ING, draagt daar niets aan bij. Banken zijn bovendien niet de enigen die risico’s afwentelen op de maatschappij.

Failliete bedrijven (neem DAF) zijn niet altijd in staat een sociaal plan te betalen. De kosten daarvan vallen vervolgens toe aan de maatschappij. Banken zijn niet zo uitzonderlijk.

Na de crisis had meer persoonlijke aansprakelijkheid prioriteit moeten krijgen. Nu, jaren later, nota bene andere mensen, salaris ontzeggen, verandert daarentegen niets. Bankiers moeten beseffen dat ze een grote verantwoordelijkheid dragen. Dat bereik je niet door salaris ter discussie te stellen.

Voelen we ons straks beter als ING in de toekomst weer gered wordt, maar we weten dat de CEO maar “Jupiler league” werd betaald? Geloof ik niet.

Dan kun je dat salaris natuurlijk alsnog te hoog vinden. Hef belasting. Dat helpt ook weinig, maar is iets. Of het salaris (objectief) te hoog is, staat wel weer los van de “bijzondere rol” van banken in de maatschappij.

Groene groei, bbp, welvaart en Ricardo

In de notitie Groene groei en welvaart: een conceptueel denkkader wordt door het CPB “geconcludeerd dat veel milieubeleid een remmende werking heeft op de groei van de economie op de korte termijn.” Daar valt op af te dingen als er rekening gehouden wordt met de impact van toekomstige maatschappelijke kosten. De CPB conclusie is onderbouwd met een conceptuele analyse van het versnellen van de introductie van een, privaat onrendabel maar maatschappelijk rendabel, nieuwe (groene) techniek met subsidies. Het CPB doet dit met figuren als deze:

cpb_groenegroei_figuur33

De subsidies in bovenstaand figuur zorgen voor een snellere introductie van de nieuwe (groene) techniek. Dit kost volgens het CPB in het begin BBP én welvaart. Kort gezegd gaat het op korte termijn ten koste van BBP omdat subsidies verstorend werken. Het gaat aanvankelijk ten koste van welvaart omdat de subsidie gestoken wordt in iets dat nu nog niet rendabel is, maar wel geld kost dat niet naar iets anders kan.

Plausibel verhaal tot dusver, maar de conclusie dat beleid gericht op de snellere introductie van nieuwe (groene) technieken op korte termijn vaak moet leiden tot een kleinere economie en lagere welvaart ten opzichte van niets-doen is te kort door de bocht. Er is namelijk zoiets als Ricardiaanse equivalentie, wat staat voor het idee dat economische actoren (consumenten en bedrijven) anticiperen op toekomstige belastingen. Voor consumenten is dit twijfelachtig, bijvoorbeeld door budgetrestricties. Voor bedrijven is dit een geaccepteerde aanname, wat bijvoorbeeld betekent dat bedrijven naar verwachting meteen gaan bezuinigen als zij belastingverhogingen voorzien. Voor de netto werkgelegenheidseffecten van het Energieakkoord is er bijvoorbeeld rekening mee gehouden dat bedrijven inderdaad anticiperen op toekomstige heffingen en die toekomstige heffingen dus bij bedrijven andere investeringen en bestedingen verdringen.

Het idee van Ricardiaanse equivalentie zou in het geval van groene groei betekenen dat bedrijven nu al rekening houden met de in de toekomst te heffen belastingen om de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. In Nederland zullen bijvoorbeeld dijken verhoogd moeten worden als de zeespiegel stijgt. Die toekomstige maatschappelijke kosten worden uiteindelijk (deels) omgeslagen naar bedrijven, via vennootschapsbelasting en/of belasting op de personeelsbeloning. Als door gevoerd beleid een groene techniek eerder beschikbaar komt en zo de toekomstige maatschappelijke kosten lager uitvallen, kunnen belastingen (in de toekomst) omlaag. Dit betekent voor bedrijven meteen meer loon- en investeringsruimte wat positief is voor de omvang van de economie, en de welvaart als afgeleide daarvan. Met andere woorden kan een uitgesproken inzet op het sneller dichtbij brengen van technieken die ellende later voorkomen onmiddellijk positief uitwerken op de economie én welvaart.

Levenslang, tenzij…

Nederland moet levenslang gestraften uitzicht geven op vrijlating. Voorgesteld is om hiervoor na 25 jaar een toets in te voeren. Deze toets bekijkt of iemand vrijlating verdient. Wat als we dit doortrekken in een gedachte-experiment?

Een alternatief is “levenslang-tenzij”. Een misdrijf leidt daarin altijd tot levenslang. De rechter beslist over het eerste moment en/of de frequentie van toetsing. Deze aanpak is humaner, persoonlijker en meer preventief.

Levenslang is nu uitzichtloos. Dat zegt het mensenrechtenhof in Straatsburg. En omdat “levenslang-tenzij” altijd uitzicht biedt, wordt het strafrecht humaner.

“Levenslang-tenzij” maakt straffen ook persoonlijker. De bij toetsing gebleken mate van berouw, inzicht en kans op geslaagde re-integratie bepaalt of iemand vrij komt. Minder terugkijken naar wat iemand gedaan heeft; meer vooruitkijken naar wat iemand gaat doen.

Omdat het risico op herhaling een rol speelt bij toetsing verwacht je op termijn minder misdrijven. Het preventieve karakter van het strafrecht wordt zo met “levenslang-tenzij” versterkt. Iemand die niet leert van de straf, komt niet meer vrij. Iemand die wel van de straf leert, komt wel vrij.

Eerst is het moeilijk voor te stellen dat moordenaars soms eerder vrij komen dan tasjesdieven. Maar, een moordenaar die het, bij wijze van spreken, nooit weer zal doen, kan na enige tijd wel terug. Een notoire veelpleger die niet inziet wat fout is aan stelen, zien we, misschien, liever gewoon niet terug. Dat is “levenslang-tenzij”.

Nota bene
Voorgaande is een gedachte-experiment. Ik sta niet stil bij praktische uitvoerbaarheid. Noch is uitputtend naar mogelijke bezwaren gezocht. Graag lees ik het (rechtsfilosofische) antwoord waarom “vrijlating-tenzij” beter is dan “levenslang-tenzij”.