Pensioenen verdrukken lonen: een hypothese (3)

De bezittingen van pensioenfondsen nemen sterk toe sinds begin deze eeuw. Deze reeks stelt de vraag of deze enorme kapitaalaanwas de lonen verdringt. In dit derde en laatste deel bespreek ik de productiefunctie. De andere delen gaan in op economisch gedrag en marktwaarde in relatie tot andere waarderingen.

Productiefunctie

Hoe werkt de druk van zoveel kapitaal? Met een vrij simpel economisch model is dat te bekijken en dat gaan we in dit deel doen.

De Cobb-Douglas productiefunctie wordt in de economie gebruikt om te beschrijven hoe kapitaal en arbeid samen tot productie leiden. De functie ziet er (versimpeld) zo uit:

Y is de productie, gemaakt met L, arbeid, en K, kapitaal. De coëfficiënten a en b beschrijven de stand van de techniek, en daarmee hoe arbeid en kapitaal in de uitgangssituatie worden beloond. Als a en b precies optellen tot 1 en L en K gelijk groeien, neemt Y met diezelfde groei toe.

Een voorbeeld, waarin arbeid en kapitaal allebei op 100 beginnen en waarna arbeid met 10% groeit en kapitaal met 100%:

Als L en K gelijk zijn, komt dat er ook uit voor Y. Maar als dat niet zo is, is er sprake van afnemende meeropbrengsten: Y neemt niet toe met 55, het gemiddelde van L en K, maar slechts met 48,3.

De afnemende meeropbrengsten van dit model spreken intuïtief aan. Want anders zou je (op korte termijn) oneindig kapitaal kunnen toevoegen, zonder dat dit effect heeft op het rendement. Dat is niet realistisch. Er kan veel geautomatiseerd worden, maar elke machine heeft vaak toch nog af en toe een mens nodig. Elke volgende automatiseringsslag is naar verwachting lastiger, en daarmee duurder, omdat eerst de makkelijkste dingen worden geautomatiseerd. Alleen op de (zeer) lange termijn is voorstelbaar dat er “ongestraft” in kapitaalgoederen geïnvesteerd kan worden, want op die langere termijn kan technologie nieuwe mogelijkheden bieden.

Vervolgens heb ik in dit model enkele echte reeksen gestopt om over een wat langere periode te zien wat er dan uitkomt, zie onderstaand figuur. In de linker helft staan de ingevoerde reeksen en de eerste macro-economische uitkomsten. Vanaf 1999 zijn voor arbeid (L) de arbeidsuren vanaf 1999 genomen en voor kapitaal (K) de vorderingen van pensioenfondsen. Deze zijn omgezet in indexcijfers en beide beginnen dus in 1999 op 100. De coëfficiënten a en b staan op 0,8 en 0,2. Die zijn zo gekozen dat de kengetallen die straks volgen enigszins herkenbaar zijn. Tot slot is vastgezet dat arbeid een vaste beloning per eenheid krijgt (weer die 0,8). Niet onredelijk ook, temeer die (op korte termijn) zeker naar onderen nogal star is. Lonen gaan eigenlijk niet omlaag. De rest van de productie (Y) gaat vervolgens naar kapitaal (K). De totale beloning (gelijk aan Y) bestaat uit de beloning voor arbeid (yL) en kapitaal (yK).

In de rechter helft staan vervolgens de kengetallen die laten zien wat er gebeurt als kapitaal (K) onstuimig groeit in dit model. De beloning voor arbeid per eenheid arbeid (yL/L) loopt vlak, want die staat vast. De afnemende meeropbrengsten komen daardoor helemaal voor rekening van kapitaal. De beloning per eenheid kapitaal (yK/K) daalt sterk, wat in lijn ligt met de huidige praktijk van lage rentes, rendementen, en rendementseisen.

Maar, terwijl de beloning per eenheid kapitaal daalt (yK/K) stijgt toch het aandeel van kapitaal in de totale beloning (yK/Y). Ondanks dat de beloning voor kapitaal, in dit gestileerde model, alle schaalnadelen krijgt. De hoeveelheid kapitaal duwt als het ware het aandeel van arbeid in de totale beloning (yL/Y) omlaag. In de echte wereld daalt deze zogeheten arbeidsinkomensquote inderdaad. Overigens niet zo extreem als in deze voorbeeldberekening. In de echte wereld zijn er ook veel meer factoren in het spel, zoals voortschrijdende techniek, schaalvoor- én nadelen, het buitenland, onderwijs, enzovoort.

Deze berekeningen met de Cobb-Douglas productiefunctie tonen wel dat met een eenvoudig model uit de economie, met alleszins redelijke aannames, uitkomsten rollen die we in het echt ook zien. Als “geïnvesteerd” kapitaal in het model net zo toeneemt als in het echt, is er, ondanks sterk afnemende meeropbrengsten voor kapitaal, sprake van een situatie waarin kapitaal een groter aandeel in het inkomen verwerft, ten koste van het loonaandeel.

Conclusie

Duidelijk is geworden dat een enorme aanwas van kapitaal, zoals we die in Nederland zien bij de pensioenfondsen, wellicht nadelige invloed heeft op de loonontwikkeling. Vanuit verschillende invalshoeken kan de kapitaalaanwas inderdaad de lonen verdrukken. Meer onderzoek is mogelijk naar zaken als: hoe productiviteit van arbeid (en kapitaal) meten als bedrijven investeren in (immateriële) activa die niet op de balans “horen”; wat is de plek van pensioenfondsen in de macro-economie, daar ze contra-intuïtief (moeten) reageren op lagere rentes/rendementen?

Pensioenen verdrukken lonen: een hypothese (2)

De bezittingen van pensioenfondsen nemen sterk toe sinds begin deze eeuw. Deze reeks stelt de vraag of deze enorme kapitaalaanwas de lonen verdringt. In dit tweede deel bespreek ik marktwaarde in relatie tot andere waarderingen. De andere delen gaan in op economisch gedrag en de productiefunctie.

Marktwaarde en andere waarden

Ook de marktwaarde van Nederlandse ondernemingen is hard gestegen: de waarde van alle uitstaande aandelen in Nederland verviervoudigde bijna zelfs. Een nog krachtiger stijging dan de toename van de bezittingen van pensioenfondsen.

Deze waardestijging komt bij lange na niet zo sterk naar voren in de niet-financiële activa van Nederlandse ondernemingen. Daar kwam tussen 1999 en 2016 circa de helft bij. Uiteraard kunnen bedrijven meer dan vroeger bezittingen hebben die niet op de balans staan maar wel waarde hebben. Een opgebouwd merk is daarvan een voorbeeld.

Hetzelfde beeld rijst wanneer gekeken wordt naar de kapitaalgoederenvoorraad. “Kapitaalgoederen zijn geproduceerde materiële of immateriële activa die langer dan een jaar in het productieproces worden gebruikt. Voorbeelden zijn gebouwen, machines, vervoermiddelen, software en dergelijke.” (CBS)

De relatieve toename van de marktwaarde van aandelen in Nederlandse ondernemingen ten opzichte van andere waarderingen kan door veel veroorzaakt zijn. Wellicht zijn ondernemingen sinds 1999 “slimmer” gefinancierd waardoor het rendement op de aandelen hoger is, en ze daardoor meer waard zijn. Zoals gezegd, kan het ook komen doordat bezittingen die niet op de balans horen, zoals merken, belangrijker zijn dan vroeger. Misschien zijn bedrijven gewoon winstgevender, en is hun waarde ten opzichte van hun activa dus nu hoger. En de rente op obligaties en spaarrekeningen is laag. Wellicht is de rendementseis op aandelen bij meer marktdeelnemers dan pensioenfondsen lager dan vroeger. Dat laatste heeft als gevolg dat kopers meer bereid zijn te betalen voor dezelfde verwachte kasstroom (zoals dividend).

De verklaring, die als rode draad door deze reeks loopt, is dat er (daarnaast) zoveel kapitaal een bestemming zoekt, dat de marktwaardering veel hoger ligt dan de balanswaarde van de onderliggende niet-financiële activa. Dit kan werken omdat arbeid, kennelijk onder druk van zoveel kapitaal, met een kleiner aandeel in het vergaarde inkomen genoegen moet nemen.

Pensioenen verdrukken lonen: een hypothese (1)

De bezittingen van pensioenfondsen nemen sterk toe sinds begin deze eeuw. Het gaat 2018 eind 3e kwartaal om ruim 1.400 miljard euro. In de nationale rekeningen worden deze bezittingen vorderingen genoemd. Vorderingen van pensioenfondsen betreffen vooral aandelen en schuldbewijzen (obligaties).

Ook als deze bezittingen in perspectief gezet worden, door te delen door het BBP van het voorgaande jaar, blijft de groei sterk. Begin deze eeuw waren de vorderingen van pensioenfondsen circa 100% uitgedrukt in het BBP, en inmiddels gaat het om bijna 200%. Een verdubbeling. Deze groei is er om in de toekomst voldoende in kas te hebben om pensioenen te betalen. Het belang hiervan voor (toekomstige) gepensioneerden staat hierna wat dat betreft niet ter discussie.

Wel roept het de vraag op of deze enorme kapitaalaanwas de lonen verdringt. Immers, al dit kapitaal verwacht inkomen te genereren en elke euro toegevoegde waarde van de Nederlandse economie die naar kapitaal gaat, gaat niet (meer) naar arbeid. Hierna volgen verschillende perspectieven om naar de problematiek te kijken. In dit eerste deel bespreek ik economisch gedrag. De volgende delen gaan in op marktwaarde in relatie tot andere waarderingen en de productiefunctie.

Economisch gedrag

Een versimpelde weergave van de economie is de wet van vraag en aanbod. Als de prijs van iets daalt, verwacht je dat er, onder verder gelijke omstandigheden, minder van wordt aangeboden. Immers, sommige producenten kunnen tegen die lagere prijs niet meer rendabel produceren. Andersom geldt dat als er meer aanbod afgezet moet worden, en verder weer niks verandert, de prijs wel omlaag moet.

Als de spaarrente dus daalt, verwacht je als reactie dat het aanbod van spaargeld daalt. Als oppotten weinig oplevert, kun je het beter uitgeven. De spaarrente kan bijvoorbeeld dalen door een rentebesluit van de centrale bank. Andersom geldt dus ook dat als het aanbod van spaargeld van buitenaf toeneemt (kwantitatieve geldverruiming wellicht), de prijs (spaarrente) wel omlaag moet.

Omdat pensioenen met een bepaald doel geld opsparen voor de deelnemers, speelt er echter nog een tweede effect. Het pensioenfonds heeft als doel een bepaald pensioeninkomen te bieden, en spaart namens de deelnemers net zoveel geld als nodig is om dat doel te bereiken. Dat betekent dus als de prijs van geld (rente) daalt het pensioenfonds, in plaats van minder, meer geld gaat aanbieden om te investeren. Want bij een lagere rente moet je meer beleggen voor hetzelfde eindresultaat. Dit is waarom dekkingsgraden zo laag zijn, ondanks de enorme stijging in de eerdere figuren. Ondanks alle extra inleg is het verwachte eindresultaat bij de huidige lage rente matig. Juist vanwege het lage rendement moeten pensioenfondsen groeien.

Als kapitaal zo goedkoop is, is het voor werkgevers vervolgens ook goedkoop om arbeid te vervangen door kapitaal. Je kunt dus met de wet van vraag en aanbod redeneren dat arbeid en kapitaal met elkaar concurreren, waarbij kapitaal naarstig op zoek is naar voldoende rendement in euro’s en daardoor met een relatief lage beloning per eenheid kapitaal genoegen neemt. Die lage beloning per eenheid kapitaal drukt vervolgens ook op de beloning voor arbeid.

Verhoging pensioenleeftijd motiverend

Uit onderzoek van ROA (Universiteit Maastricht) blijkt dat oudere werknemers minder vaak meedoen aan trainingen van hun werk. Het gemiddelde onderbuikgevoel zal er op neer komen dat werkgevers niet meer willen investeren in oudere werknemers en dat je voorbij een bepaalde leeftijd bent afgeschreven. Niets is minder waar. Oudere werknemers blijken minder gemotiveerd om aan trainingen deel te nemen, vaker er vrijwillig van afzien en sterker nog is het zo dat oudere werknemers vaker door hun werkgever worden gedwongen om een training te volgen.

Trainingsparticipatie naar leeftijdscategorie

Trainingsparticipatie naar leeftijdscategorie

Wat is hier aan de hand? In mijn ogen houden oudere werknemers rekening met de aankomende pensionering. Het is voor je eigen toekomst en carrière minder interessant om training te volgen, in jezelf te investeren, als er minder tijd over is om de vruchten er van te plukken. Het logische gevolg van een verhoging van de pensioenleeftijd zou dan zijn dat oudere werknemers langer gemotiveerd zijn om in zichzelf te investeren.

Er is vast anekdotisch bewijs te vinden dat oudere werknemers niet meer meetellen, maar als je ook niet meer in jezelf wilt investeren, soms tegen de wens van je werkgever, is daar ook wel wat voor te zeggen. Verhoging van de pensioenleeftijd zal het punt waarop het oninteressant wordt voor oudere werknemers om training te volgen, verschuiven. Omdat oudere werknemers dus langer in zichzelf zullen investeren, zal het doembeeld, dat verhoging van de pensioenleeftijd enkel tot meer werkloze ouderen zal leiden, geen bewaarheid worden.

Slimmere maatstaf voor schuldpositie landen is nodig

Me Judice: ‘Nederland: puissant rijk, maar gierig als een oude vrek’

De Nederlandse overheidsfinanciën staan er veel beter voor dan een directe vergelijking van de staatsschuld met andere Noord-Europese landen laat zien. Het grote verschil zit in de enorme opgebouwde pensioentegoeden.Toch committeert Nederland zich aan de Europese norm dat de staatsschuld niet meer dan 60 procent van het nationaal inkomen mag bedragen.

Dat is wel een aardig perspectief op wat de staatsschuld als percentage van het BBP eigenlijk betekent. Die statistiek is totaal ongeschikt om landen onderling mee te vergelijken. Eigenlijk een statistiek om te negeren dus.

Gedachte-experiment: wat zou er gebeuren als je een bandbreedte stelt voor de rente op staatsleningen rondom een referentierente? Kom je er boven: verplicht bezuinigen. Kom je er onder: verplicht belastingverlaging of uitgaven omhoog. Dan prijst de markt de al dan niet gedekte pensioenen bijvoorbeeld zelf in zou je zeggen. Hoef je ook niet meer te discussiëren over of die 60% voor elk land even passend is. Het lijkt mij daarom geen gek idee om een bandbreedte rond een referentierente in te stellen in plaats van een plafond voor de staatsschuld.

Nederland behaalt brons op WK Welvaart

Nederland is door de Verenigde Naties als derde gerangschikt op de Human Development Index 2011, ofwel het WK Welvaart. Alleen de van grondstoffen vergeven Noren en Australiërs hebben we voor ons moeten dulden. Onze bronzen plak hebben we te danken aan een goede score op de drie onderdelen levensverwachting, onderwijs en rijkdom.

Op die bronzen plak, ten teken van onze ongekende welvaart, zouden we trots moeten zijn. Het streven naar een beter leven is de drijvende kracht achter onze markteconomie, dus genoegzaam achterover hangen is niet de juiste houding. Toch, continu zuurpruimen dat het zo slecht gaat met Nederland is evenmin op zijn plaats, want dat is gewoon aantoonbaar onwaar. Af en toe tevreden zijn over hoe goed we het al hebben, moeten we niet vergeten.

Die hoge score op welvaart betekent ook dat we wat te verdelen hebben. Moeten we onze welvaart dan maar verbrassen? Nee. Wel moeten we ons door niemand zomaar wijs laten maken dat iets niet kan. Moet de pensioenleeftijd omhoog? Lijkt mij verstandig, maar het ‘moet’ niet. We hebben als welvarend land iets te kiezen en die keuzevrijheid moeten we claimen ook. De tijd dat de aanpak van problemen op ons neerdaalt als ware een bindend vonnis is wat mij betreft voorbij, want dat brons kunnen we met keuzevrijheid verzilveren.

Vergrijzingstsunami: of valt het allemaal wel mee?

Een meerderheid in de Tweede Kamer wil van het Spaarfonds AOW, dat geen spaarfonds is, af: nu.nl. Volgens Professor Jacobs (EUR, CPB, Netspar) is de burger misleid, is er niet gespaard voor de oude dag van de Nederlander en laten maatregelen om het tij te keren te lang op zich wachten. Er staat ons een hoop ellende te wachten in de toekomst als we clubs als Netspar, de pensioendeskundigen van Nederland, moeten geloven.

Deskundigen klakkeloos geloven, zeker als ze zich in clubs gaan organiseren, is voor mij niet vanzelfsprekend. Hoe bewust is men zich van groupthink, een groepsproces waarin zelfkritiek verdampt? Ik geloof ook heus dat het sommetje oplossen als Nederland verder vergrijst niet makkelijk wordt. Er zullen keuzes gemaakt moeten worden. De sommen van onderzoekers als Jacobs maken inzichtelijk dat we nu grote beloftes gedaan hebben. Diezelfde sommen kunnen ons echter niet voorschrijven hoe wij aan onze beloftes gaan voldoen.

Moet de pensioenleeftijd omhoog? Nee. Moet de pensioenuitkering omlaag? Nee. Niets moet. We zijn de jungle uitgewandeld om ons lot in eigen hand te nemen en dat is het enige dat ‘moet’. Misschien dat we na uitgebreid afwegen er voor kiezen om die maatregelen te nemen en ik kan ook toelichten waarom die dingen niet ‘moeten’.

Er zou niet gespaard zijn voor de vergrijzingsgolf. Dat is pertinent onjuist. De Nederlandse staatsschuld kan met gemak verdubbelen zonder al te veel pijn. Die ruimte zie ik als spaarpot en kan heel wat AOW van betaald worden. De ruimte die daar nog ligt is de eerste reden om niet van ‘moeten’ te hoeven spreken.

De tweede reden is dat de arbeidsproductiviteit nog steeds stijgt. We worden nog steeds rijker. Als wij met elkaar afspreken dat we die toenemende welvaart aan onze ouders overdragen voor hun oude dag, dan doen we dat. Hoezo de leeftijd ‘moet’ omhoog, als wij gewoon meer geld bij elkaar brengen?

Het is in mijn ogen de taak van de economische wetenschap om knelpunten in de huidige organisatie van de economie aan te wijzen. Knelpunten aanwijzen is nodig om vervolgens een keuze te kunnen maken om deze op te lossen. Economen kunnen niet voorschrijven wat er moet gebeuren en slechts binnen grenzen aangeven wat de kosten en baten van gekozen maatregelen zijn.

De uiteindelijke keuze hoe we de vergrijzing gaan betalen is een politieke keuze die in ultimo bij de kiezer ligt. Niet exclusief bij de economische wetenschap.

Pensioengelden: te veel of te weinig?

In reactie op: Bernard van Praag, “Maak krekels tot mieren: Herstructureer pensioenen en arbeidsmarkt”, Me Judice, jaargang 3, 1 juli 2010.

Interessant artikel om te lezen. Alhoewel inderdaad kwalitatief lijkt de verhandeling mij economisch intuïtief sluitend.

Ik denk ook dat het correct is om het omslagstelsel als relatief gunstig te betitelen toen de AOW werd ingesteld. Zouden we bij aanvang een kapitaaldekking hebben gehad (AOW fonds), door zoals bv. hiervoor gesuggereerd het fonds vol te storten met aardgasbaten, dan was er nog meer kapitaal geweest dat een bestemming had moeten vinden. Dat lijkt nu al een probleem, en dat was dan nog groter geweest. In dat opzicht heb ik me ook wel eens de volgende dingen afgevraagd.

Bij een vergrijzende bevolking zou het aantal bijdragers aan het AOW fonds afnemen, en had dus uiteindelijk het totale niveau van de portefeuille onder druk kunnen komen staan.
– Wat zou er gebeurd zijn als de AOW met kapitaal gedekt zou zijn, en het AOW fonds dus onder druk van vergrijzing langzaam aan de markt onttrokken had moeten worden?
– Bij een vergrijzende bevolking had het AOW fonds bovendien steeds meer moeten differentiëren naar ‘veilige’ beleggingen. In hoeverre zou dat mogelijk geweest zijn?

Deze vragen zijn zolang de grijze druk toeneemt denk ik ook relevant voor de invoering van een kapitaal gedekte AOW. Idealiter zou kapitaaldekking ingevoerd worden zodra de grijze druk weer afneemt, dan vervallen immers bovengenoemde vragen en is de druk op de ‘transitiegeneratie’ het laagst. Nu de grijze druk tot 2040 eerst nog verdubbelt voordat deze afneemt, kunnen we daar, helaas, waarschijnlijk niet op wachten.

Uiteindelijk is mijn voornaamste vraag wat de bestemming zou moeten zijn van alle geld in een kapitaalgedekt AOW fonds. Er is, mede door de vergrijzing, een afnemende behoefte aan additionele investeringen. Vervanging van bestaande economische infrastructuur zal (spoedig?) de regel worden. In hoeverre zullen er dan überhaupt voldoende, verstandige, levensvatbare investeringsmogelijkheden zijn voor een AOW fonds, zonder dat er weer een bubbel ontstaat?

jaargang 3, 1 juli 2010.

Studenten: stelletje dommeriken

‘Schrap slimmerikenbelasting’

In een open brief aan PvdA-leider Job Cohen smeekt de Landelijke Studentenvakbond hem geen ‘slimmerikenbelasting’ in te voeren.

Het is moeilijk om niet te veronderstellen dat de LSVb niet het hele plaatje voor ogen heeft. Ten eerste valt een belangrijk deel van de impact van de crisis neer bij mensen die al een groot gedeelte van hun pensioen hebben opgebouwd. Daarnaast krijgen huidige jongeren het hoe dan ook voor de kiezen, bijvoorbeeld bij een hogere AOW-leeftijd. Omzetting in een sociaal leenstelsel lijkt mij een pijnlozere constructie, dan heel veel andere ingrepen die op de jeugd afkomt. Daar heeft de LSVb te weinig oog voor.

Ten tweede vind ik het niet verkeerd dat er meer prikkels komen om een verstandige studiekeuze te maken, en de studie serieus te nemen. Er zijn er genoeg waar het daar in mijn ogen bij aan schort. Daarnaast zou ik, in overeenstemming met de partijen die dit plan opperen, graag zien dat dit geld in het onderwijs blijft. Links en rechts valt er kwalitatief behoorlijk wat te verbeteren. Daar het beschikbare geld in steken vind ik meer hout snijden dan inkomensondersteuning die in zijn geheel omgezet wordt in een gift.

Ook vind ik het telkenmale bij het banale af dat studenten durven te klagen over hun financiële vooruitzichten. Het gros van de HBO en WO studenten gaat bovenmodaal verdienen. Bovenmodaal is gewoon vorstelijk, punt. Niet zeuren als je dan jouw opleiding moet gaan terugbetalen. Je kunt het missen, echt.

Overigens verbaasd mij dat ook telkens weer. Een bedrag van, zeg 50.000 euro, lenen om te investeren in jezelf krijgt bijna iedereen koudwatervrees bij. En als er een huis gekocht moet worden, sloten tot voor kort veel net-afgestudeerden zonder blikken of blozen tophypotheken af op 125% van de woningwaarde leunend op twee volledige inkomens. Ik snap daar helemaal niks van. Een stapel stenen is je toch niet meer waard dan jouw eigen verdiencapaciteit en persoonlijke ontwikkeling?

VVD programma besproken

Mijn politiek voorkeur is geen groot geheim, en ik vind het wel aardig om eens de beknopte verkiezingspunten van de VVD door te lopen.

Bezuinigingen

* De VVD wil een kleinere staat met een kwart minder politici, halvering van het aantal ministers en veel minder ambtenaren. Dit levert 4 miljard euro op in 2015, oplopend naar ruim 6 miljard in 2020.
* De VVD wil uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking en de afdracht aan de Europese Unie halveren. In 2015 bespaart dit 4,5 miljard euro belastinggeld, oplopend naar 5,5 miljard in 2020.
* De VVD wil de kansloze immigratie tot nul beperken en stoppen met inburgeringssubsidies. Immigranten moeten voor werk en niet voor de uitkering naar Nederland komen, dus de eerste tien jaar in Nederland krijgen zij geen uitkering. Dit levert 0,5 miljard euro op in 2015, oplopend naar een kleine 2 miljard in 2020.
* In de sociale zekerheid wordt de re-integratiebureaucratie beperkt en alleen écht jong gehandicapten krijgen een uitkering. De WW wordt korter, maar de eerste maanden hoger. Dit leidt in 2015 tot 4 miljard euro besparingen, oplopend tot 9 miljard in 2020.

Minder ministers en minder ambtenaren is een terugkerend punt natuurlijk. In mijn ogen is dat alleen mogelijk als de overheid ook daadwerkelijk minder gaat doen. De indruk dat je met het modewoord ‘efficiencyslagen’ miljarden kunt bezuinigen vind ik niet realistisch. Minder ambtenaren leidt te vaak tot de inhuur van ‘consultants’ en die zijn bepaald niet goedkoper.

Minder geld naar EU en ontwikkelingssamenwerking ben ik niet bijzonder enthousiast over. De bijdrage aan de EU zou inderdaad eerlijker kunnen, maar wat betreft ontwikkelingssamenwerking vind ik dat we ons aan internationale afspraken moeten houden. Dat anderen dat niet doen, is voor mij geen reden om het dan ook maar niet te doen. Afspraken maken en nakomen betaalt zich ook uit, en slimme inzet van ontwikkelingshulp kan het Nederlandse bedrijfsleven ook van profiteren

Ook ben ik niet enthousiast over de negatieve houding ten opzichte van immigranten. Ja, ik ben het er mee eens dat mensen hier niet voor een uitkering horen te komen. Ik vind daarentegen ook dat als je bijdraagt aan sociale verzekeringen, dat je er ook van hoort te profiteren als dat zo uitkomt. Onderzoek eens, zoals bij de AOW, of je rechten kunt opbouwen als immigrant en op basis daarvan uitkering krijgt. Tien jaar sowieso niets is mij te gortig, en lijkt mij oneerlijk ten opzichte van Nederlandse uitvreters.

Beperking van de sociale kant van de arbeidsmarkt (WW etc.) vereist in mijn ogen dat ook iets aan het ontslagrecht wordt gedaan. Als ik minder WW krijg, moet het een toekomstige werkgever ook gemakkelijker gemaakt worden om mij aan te nemen en te houden. Nu blokkeert het ontslagrecht het aannemen van personeel, want wanneer kun je pas weer van iemand af is maar de vraag. Alleen bezuinigen op WW en degenen die, soms enkel met mazzel, hun baan behouden ontzien, is onvoldoende: het ontslagrecht moet ook soepeler.

Investeringen

* De VVD investeert in veiligheid door méér blauw op straat: 3.500 agenten extra, ook op het platteland.
* De VVD investeert jaarlijks 500 miljoen euro in extra wegen en een forse uitbreiding van het spoorwegennet.
* De VVD investeert 2,5 miljard euro in de kwaliteit van het onderwijs waarmee deze een stevige impuls krijgt.

Zondermeer goede punten lijkt mij. Forse uitbreiding van het spoorwegennet lijkt mij in Nederland de aangewezen manier om woon-werk verkeer mogelijk te houden. Het Nederlandse net schijnt aan de capaciteitsgrenzen te zitten, dus uitbreiding van de infrastructuur is een uitermate verstandig plan. Daarnaast vind ik dat onderwijs erg belangrijk is om sociale verschillen te beperken. Waar sommigen denken dat je met kleptocratentaksen alles oplost, zal een verstandig mens erkennen dat de economie waarin wij leven capaciteiten beloont. Daar is geen progressieve belasting tegen opgewassen. Met dat gegeven moet je dus proberen de capaciteiten van iedereen te maximaliseren, want daarmee bereik je echte nivellering. Investeren in het onderwijs is daarvoor in mijn ogen een geschikt middel, en effectiever en socialer dan even een uitkering of toptarief optrekken.

Vernieuwingen

* Op basisscholen krijgen kinderen weer les in d’s en t’s, de kwaliteit van het vakonderwijs moet omhoog en de VVD wil meer academici voor de klas.
* De VVD kiest voor betaalbare zorg van betere kwaliteit en dichter bij huis.
* Werken en ondernemen moet weer lonen, daarom verlaagt de VVD de belastingen.

Zo beschreven houdt het nog niet veel in. In hoeverre deze wensen betaald kunnen worden vraag ik me af. Wel deel ik de mening dat als wij vinden dat de kwaliteit van het onderwijs en de zorg omhoog moet we in allerlei opzichten daar ook voor moeten willen betalen: meer investeren en betere arbeidsvoorwaarden voor onderwijzers en zorgverleners. Belastingverlaging zou in mijn ogen moeten kunnen, maar lijkt mij niet strikt nodig. Zeker niet als de hypotheekrenteaftrek bijvoorbeeld in stand blijft. Belastingverlaging in de laagste schijf zou ik wel interessant vinden om te proberen ook laaggeschoolden maximaal aan werk te helpen.

Wat wil de VVD niet?

* De VVD wil niet tornen aan de hypotheekrenteaftrek (de overdrachtsbelasting willen we wél aanpakken).
* De VVD wil direct stoppen met de kilometerheffing.
* De VVD wil de Bosbelasting (inkomensafhankelijke ouderenbelasting) afschaffen.

Het gedachtenexperiment dat ik altijd doe bij de hypotheekrenteaftrek is of je het zou invoeren als het er nog niet was: nee. Het verstoort de markt niet zozeer, maar het is wel een bizarre manier van rondpompen van geld. Ik zou het willen afschaffen, en niet omdat de rijken bevoordeeld worden (dat valt reuze mee), maar omdat het een ondoelmatig vreemd fiscaal vehikel is.

Zeker de spitsheffing was een interessante mogelijkheid om efficienter gebruik te gaan maken van het wegennet. Nu waren de Nederlandse ambities weer over de top, maar beter onderzoeken of er niet toch wat meer prijsdifferentiatie kan komen op de weg zou ik niet zo tegen willen zijn als de VVD nu. Ik zie meer kansen voor de economie, dan bedreigingen rond dit dossier.

Over de Bosbelasting heb ik niet echt een mening. Volgens mij heeft niemand daar echt onwijs veel pijn van, dus waarom die fiscalisering van de AOW er af moet zie ik niet zo. Zeker niet omdat die groep naar het nu lijkt eerder met pensioen heeft kunnen gaan dan toekomstige generaties.