Klimaatdebat

Het debat over het klimaatakkoord, de klimaatwet, de klimaattafels enzovoort verzandt in discussies die slecht te volgen zijn. Dat kan anders. Het debat moeten we voeren volgens “de regels”. Debatteren over of iemand een autoriteit is, of over de feitelijkheid van feiten kan niet. Daar is debat niet voor. Het is aan de politiek om feiten af te wegen, voor de burger. Dat kan wel met debat. In dit artikel loop ik voor het klimaatdebat de standaardgeschilpunten uit het beleidsdebat langs.

Standaardgeschilpunten

In het beleidsdebat zijn de standaardgeschilpunten de leidraad voor het debat. Voorstanders die het probleem niet goed neerzetten of het nut van het nieuwe beleid niet aantonen, verliezen. Tegenstanders die het probleem niet bestrijden en het voorgestelde beleid niet onderuit halen, verliezen.

De standaardgeschilpunten zijn verdeeld over twee blokken: 1) het probleem, en 2) de oplossing. Daartussen zit de stelling van het debat: het nieuwe voorgestelde beleid.

Probleem

  1. Er is een probleem.
  2. Het probleem is zo ernstig en groot dat we iets moeten doen.
  3. Het probleem wordt bovendien veroorzaakt door het huidige beleid.

Stelling

  • Het plan, de oplossing, het nieuwe beleid.

Oplossing

  1. De oplossing is doeltreffend, want pakt het probleem aan.
  2. De oplossing is uitvoerbaar.
  3. Er zijn meer voor- dan nadelen.

Bronnen: (1) (2)

Voorbeelden met standaardgeschilpunten

Hierna volgen enkele voorbeelden van moeilijk te verdedigen stellingen, en de standaardgeschilpunten bieden hier houvast om tegengas te geven.

“De zon moet vaker schijnen”

Probleem: te weinig zon. Stelling: de zon moet vaker schijnen. Er is rondom smog wel iets te doen aan zonneschijn, maar in algemene zin heeft beleid weinig invloed op het aantal zonuren. Het probleem is niet inherent aan het huidige beleid.

“Brood moet goedkoper”

Stelling: brood moet goedkoper. Wat is het probleem? Misschien hebben sommige mensen geen geld voor brood. Maar is brood problematisch duur? Nee. Goed, geen geld voor brood is wel een probleem, maar wordt dat dan door de prijs van brood veroorzaakt? Nee. Misschien is alle voeding wel duur door het nieuwe BTW-beleid. Maar is het goedkoper maken van alleen brood dan doeltreffend? Nee. En is het goedkoper maken van alleen brood uitvoerbaar. Ook niet echt. Meer voor- dan nadelen. Onverdedigbare stelling, normaal gesproken.

Standaardgeschilpunten toegepast op het klimaatdebat

We lopen nu voor het klimaatdebat de standaardgeschilpunten af. Zo merken we snel waar de pijn in de verschillende fases van het beleidsdebat zit.

De stelling, het nieuwe voorgestelde beleid, is: “Nederland moet maatregelen nemen en fors investeren om klimaatverandering te voorkomen.”

Het debat begint met het scherp krijgen van het probleem dat het voorgestelde beleid moet oplossen.

Probleem

  1. Is er een probleem? Het debat gaat bij deze vraag over of het klimaat überhaupt verandert. Aanvankelijk concentreerde het debat zich meteen hier, maar het lijkt dat dit verminderd is. Voor- en tegenstanders van de stelling zijn het er inmiddels grotendeels over eens dat er een probleem is, zoals geschetst door de onderzoekers van het IPCC.
  2. Is het probleem ernstig en groot? Deze fase van het debat weegt of het gevonden probleem wel ernstig en groot is. Hier zijn verschillende richtingen denkbaar. Zo is wat warmer weer voor Nederland wellicht niet vervelend, en wellicht zelfs goed voor de landbouw. Daar tegenover staat dat andere landen zo warm en dor worden, dat men die ontvlucht. Als door klimaatverandering de zeespiegel flink stijgt, heeft Nederland ook een ernstig en groot probleem. Veel deelnemers aan het debat zijn het zeker over dat laatste wel eens: zeespiegelstijging, als gevolg van klimaatverandering, is een probleem en daar moet iets aan gebeuren.
  3. Is het probleem door beleid veroorzaakt? Deze stap in het beleidsdebat bepaalt of beleid wat kan uitrichten. In deze fase van het debat is al overeengekomen dat er een groot ernstig probleem is. In het klimaatdebat is er dan overeenstemming over dat het klimaat verandert en dat dit (voor Nederland) ernstige gevolgen heeft. Maar wat kan beleid daar aan doen? Het debat richt zich hier op of we ons moeten richten op klimaatmitigatie (de stelling) of klimaatadaptatie. Klimaatmitigatie richt zich op het voorkomen van klimaatverandering, en klimaatadaptatie richt zich op het aanpassen aan klimaatverandering. Zij die menen dat beleid invloed heeft op klimaatverandering zelf, zullen meer nadruk leggen op klimaatmitigatie. Daar tegenover staan zij die menen dat beleid geen invloed heeft op het klimaat, en de nadruk willen leggen op klimaatadaptatie om overstromingen te voorkomen. Zodra de link tussen CO2-uitstoot door de mens en het klimaat gelegd is, is er in principe voldoende aanleiding om tot klimaatmitigatie over te gaan. Dat is wat de voorstanders van de stelling moeten aantonen en verdedigen.

Als het probleem niet meer ter discussie staat, kunnen tegenstanders van de stelling alsnog vraagtekens zetten bij de oplossing.

Oplossing

  1. Is de oplossing doeltreffend? Hier rijzen de twijfels. Bereikt de inzet van Nederland op klimaatmitigatie, alleen, wel het doel klimaatverandering voorkomen? Nee. Dat is duidelijk. Voorstanders van het voorkomen van klimaatverandering moeten hier duidelijk maken dat de inzet van Nederland toch nodig is om de noodzakelijke wereldwijde samenwerking te stimuleren. Als dat lukt, wat al eens is aangetoond met het Montrealprotocol, zijn maatregelen en investeringen tegen klimaatverandering toch doeltreffend. Aan de beleidskant is dit argument al doorgedrongen, via de Nationally Determined Contributions. Als landen inderdaad voortgang boeken volgens die zelf toegezegde bijdragen, is er een plausibel argument voor de doeltreffendheid van het voorgestelde beleid. Voorstanders moeten geloofwaardig maken dat (indirect) klimaatmitigatie door Nederland zin heeft omdat het, mede, internationale samenwerking bevordert.
  2. Is de oplossing uitvoerbaar? Op dit vlak is veel, heel veel, te bespreken. Kan het netwerk de extra zonnepanelen wel aan? Kunnen we snel genoeg extra kabels naar zee leggen voor windmolens op zee? Gaan we energie opslaan; hoe dan? En wat te denken van het draagvlak? Want zelfs als de technische obstakels op te lossen zijn, is er ook draagvlak nodig voor alle investeringen. Dat ze zich, wellicht, terugverdienen helpt ook niet iedereen. Van toekomstige kasstromen kun je immers nu niet eten. Hier kom je als voorstander van klimaatmitigatie alleen uit als je overtuigend stelt dat alle kosten ten spijt, klimaatverandering heel ernstig is en te voorkomen is. Ook moet aan tegenstanders van klimaatmitigatie, die wel de link tussen CO2 en klimaat zien, gevraagd worden hoe zij denken over de kosten van dijken bouwen en verhogen. Hoe lang blijft dat alternatief uitvoerbaar? Wanneer rest dan niets anders dan delen van Nederland te ontruimen? Hoe uitvoerbaar is dat, als je wellicht nu klimaatverandering nog kunt voorkomen?
  3. Zijn er inderdaad meer voor- dan nadelen? Voordelen die genoemd worden zijn enerzijds groots zoals het voorkomen van klimaatverandering, en als gevolg daarvan minder zeespiegelstijging en minder klimaatvluchtelingen. Maar ook kleiner, zoals schonere lucht en groene economische groei. Nadelen zijn, voor sommigen, vervuiling van het landschap, maar toch vooral de enorme kosten. Mijn beeld is dat de meeste betrokkenen zich nu hier concentreren. Er is een probleem, het probleem is ernstig, beleid kan er wat aan doen, dat beleid is in principe doeltreffend en uitvoerbaar, maar misschien hebben niet alle concrete maatregelen meer voor- dan nadelen. De klimaattafels waren een manier om enige orde te scheppen in het mogelijke palet aan maatregelen. Het klimaatdebat is hier aangeland.

Tot slot

Het klimaatdebat is goed te analyseren aan de hand van de standaardgeschilpunten uit het beleidsdebat. Een dergelijke analyse geeft voor- en tegenstanders houvast bij het bepalen in welke fase van het debat zij zich bevinden en welke argumenten zij op die plek moeten inbrengen. Als dat niet gebeurt, praten mensen langs elkaar heen en wordt de toehoorder niet wijzer.

Advertisements

Waarom moet Nederland CO2-uitstoot terugdringen?

Als reactie op #klimaatverandering zijn er drie beleidsopties voor Nederland:

  1. CO2-reductie, zelf (#klimaatakkoord) en samen met het buitenland.
  2. Dijken verhogen en andere maatregelen nemen tegen de gevolgen.
  3. West-Nederland ontruimen.

Hoe komen we bij de eerste uit?

Optie 3 is serieus én absurd. Met www.ruimtevoorderivier.nl ontruimen we al gebieden. Maar, in de kustprovincies liggen de grote steden. Hier wonen en werken veel mensen. De kust ontruimen met het daar geïnvesteerde kapitaal is onbestaanbaar.

Dijken verhogen en andere maatregelen nemen, is net zo onrealistisch. Als de klimaatverandering niet afremt, wordt dat onbetaalbaar. Te hoog. Te breed. En wanneer stopt dan het beschermen en start het ontruimen? Hoeveel kosten zijn dan al gemaakt? Onbetaalbaar.

Nederland is kortom voor een betaalbare oplossing afhankelijk van anderen en moet daar naar handelen. Alleen als de opwarming afremt, door die anderen, blijft de aanpassing aan het klimaat voor Nederland betaalbaar. Dan is voorbeeldig zijn of minstens in de pas lopen vereist.

Het herstel van de ozonlaag heeft bovendien aangetoond dat je van internationaal samenwerken wat mag verwachten (https://nl.m.wikipedia.org/wiki/Montrealprotocol).

CO2-uitstoot terugbrengen is daarom een serieuze optie, en goedkoper dan het Rémi op te lossen met waterwerken of ontruiming.

Het idee dat er zonder enorme kosten een toekomst is voor Nederland, is onzin. Gebieden ontruimen of dijken bouwen is onbetaalbaar. Het is goedkoper om in internationaal verband het probleem aan te pakken, en zelf het goede voorbeeld te geven.

Kilometerheffing horde te ver?

Om vrijheden overeind te houden, doen we er goed aan niet overal een prijs aan te hangen. Een voorbeeld hiervan kan de spits- of kilometerheffing zijn, welke uit het oogpunt van vrijheid een zoveelste horde opwerpt.

Vorige maand meldde het CPB dat een kilometerheffing op drukke wegen in de spits gunstig is voor de welvaart, maar lastig uitvoerbaar is. Het persbericht komt er op neer dat invoering niet haalbaar is als we er ook wat mee willen opschieten. Achter de kilometerheffing gaat daarnaast ook een belangrijke politieke afweging schuil.

De toegang tot de weg wordt immers ingeperkt met een kilometerheffing en dat maakt het een politieke afweging. Voor wie de weg op wil, zijn er al de kosten van de auto en de brandstof (inclusief accijns). Hoeveel meer wil je als maatschappij dan nog doen om mensen, weer via hun portemonnee, te ontmoedigen alsnog de weg op te gaan?

Je kan met elkaar besluiten dat iedereen vanaf een bepaald punt moet kunnen gaan wanneer hij of zij dat wil. Een kilometerheffing is op te vatten als de zoveelste horde die het recht van de sterkste beschermt: “Omdat ik veel verdien, heb ik er meer voor over om in de spits te rijden, en mag een ander om de spits heen werken.” Niet mooi.

De spits is net als de rij bij de kassa een “gelijkmaker”: een van die weinige momenten dat we gewoon op onze beurt moeten wachten en ongeacht status gelijk zijn. Dan leven we af en toe nog een beetje in elkaars wereld. Dat moet zo blijven, want met rijkdom koop je dan misschien meer merkspullen, maar niet al maar meer vrijheid.

Uit maatschappelijk oogpunt kan een kilometerheffing alsnog gewenst zijn, al blijkt dat niet uit de CPB-analyse. Maar de kilometerheffing mag zeker geen achterdeur zijn om burgers uit de file te pesten.

Vastgoedcrisis twintig jaar van nu

Navolgend artikel is fictief en op persoonlijke titel geschreven; dit artikel diende ter inspiratie. Het schetst een denkbaar scenario voor de ontwikkeling van het commercieel vastgoed in relatie tot de rol van de overheid bij de woningbouwprogrammering de laatste decennia. Een rol waar nu van teruggekomen wordt.

Nieuwbouw tot crisis te ‘publiek gestuurd’

30-01-2033 | Laatst gewijzigd: 30-01-2033

De nieuwbouw van commercieel vastgoed was tot aan de crisis najaar 2028 ‘zeer sterk publiek gestuurd’. Het aanbod was niet (primair) afgestemd op de voorkeur van gebruikers, maar op wat ‘goed is voor Nederland’, vastgelegd in beleid van Rijk, provincies en gemeenten.

Dit commentaar ontving de tijdelijke commissie Commercieel vastgoed. Deze commissie stelt een parlementair onderzoek in naar de leegstandsontwikkeling en zwakke concurrentiepositie van het Nederlandse commercieel vastgoed.

Overheden schreven tot de crisis bijna alles op de commerciële vastgoedmarkt voor. Zowel wat betreft locatie (kantoren bij treinstations, winkels in de binnensteden en bedrijfsruimten op bestaande locaties), stedenbouw (ontsluitingen, groen, water, parkeren), aantallen, dichtheid (hoog), programmering (SER ladder), multifunctioneel gebruik (winkels in de plint), architectuur als wat betreft kwaliteiten (duurzaamheid, energiezuinigheid, aanpasbaarheid en veiligheid).

De gevolgen hiervan zijn bijvoorbeeld kantorenlocaties nabij grote stations die de laatste decennia sterk zijn gegroeid, maar waar de vraag uiteindelijk niet in dezelfde mate is geland. De plancapaciteit voor kantoren is na de crisis begin deze eeuw zo beperkt dat uitbreidingsvraag alleen nog rondom stations kon worden geaccommodeerd. Op termijn zijn enkele monofunctionele locaties grondig geherstructureerd en hebben vervolgens weer gebruikers uit de drukke stationsgebieden aangetrokken.

Het winkellandschap lijkt in eerste instantie gezond, maar doordat winkels alleen nog werden toegestaan in de binnensteden zijn consumenten meer dan in omringende landen op internet gaan winkelen. Voor sommige boodschappen zijn de parkeer- en reiskosten van de binnenstad bijvoorbeeld te hoog. Een deel van de binnenlandse detailhandelsbestedingen zijn bovendien bij buitenlandse internetwinkels terechtgekomen. In het buitenland zien we dat consumenten meer in de eigen fysieke detailhandel besteden door de aanwezigheid van met de auto goed bereikbare locaties aan de stadsranden.

Het Topsectorenbeleid van de jaren ‘10 heeft uiteindelijk ook niet het gewenste resultaat opgeleverd. Een belangrijke reden hiervoor is de SER ladder geweest die verdere clustering en optimalisatie van de bedrijfsruimtemarkt heeft beperkt. De Topsectoren hebben zich niet optimaal kunnen vestigen, zoals nabij gelijksoortige bedrijven, en zijn ondergeschikt gemaakt aan het beperken van de leegstand op bestaande, vaak ongeschikte, locaties. De SER ladder heeft er vooral voor gezorgd dat het slechte is behouden en de dynamiek op de bedrijfsruimtemarkt is komen stil te liggen.

Commerciële partijen op de vastgoedmarkt steken ook de hand in eigen boezem. Na de crisis van de jaren ‘10 werd door veel partijen een grotere rol van de overheid verwelkomd. Voorgeschreven krijgen wat wel en waar mag, beperkte het ondernemersrisico danig. Potentiële concurrentie vanuit de plancapaciteit werd uit de markt genomen. Bestaande belangen werden beschermd tegen nieuwe toetreders en concepten. De schrik van de hoge leegstand zat er in de jaren ‘10 zo in dat kritiek op een grotere rol voor de overheid niet voor de hand lag.

Het afstemmen van de (onzekere) vraag op het aanbod via de plancapaciteit is onnodig. Zeker wanneer deze voor de markt toch niet interessant is om te ontwikkelen. Goed onderbouwde grondprijzen (en belastingen), afhankelijk van locatiespecifieke kenmerken zoals maatschappelijke kosten en baten van de ontwikkeling, maken van de overheid een marktmeester die verder alles aan de markt kan laten. De rol van de overheid is er een van flexibiliteit en het zoveel mogelijk openlaten van gelijkwaardige opties. De overheid hoeft alleen te zorgen dat er voldoende aanbod en alternatieven zijn om aan de constant veranderende gebruikersvraag te voldoen. Alleen op die wijze kan de Nederlandse commerciële vastgoedmarkt weer bijdragen aan een gezond vestigingsklimaat en economische groei.

Moreel risico op het Nederlandse spoor

Vandaag viel in de Spits te lezen dat de NS meent streng te moeten optreden tegen 2e klas reizigers die in een (over)volle trein geen zitplaats in de 2e klas kunnen gebruiken, en besluiten in de 1e klas te gaan zitten: bijbetalen of boete (naast de Lidl reclame op pagina 7). De reizigersvereniging ROVER is het hier, hoe voorspelbaar, mee oneens. Ik zag al op NUjij dat sommigen menen dat je maar gewoon moet betalen voor de 1e klas als je wilt kunnen zitten.

Klinkt ergens heel logisch, maar(!) er is hier meer aan de hand natuurlijk. De NS varen wel bij de positie van monopolist, met een concessie verkregen van haar enige aandeelhouder. Zodra de NS haar concessie weer binnen heeft, wat geen enkele moeite kost, treedt moreel risico op: de NS kan binnen zekere marges haar reizigers naar believen als oud vuil behandelen als monopolist. Die marges voorkomen excessen, want de Nederlandse Staat heeft er geen belang bij dat iedereen de auto in vlucht.

Wat wel kan gebeuren in dit soort situaties is dat de NS besluiten onder te investeren in 2e klas rijtuigen om zo meer mensen te bewegen een 1e klaskaartje te kopen. Ik acht die vorm van moreel risico heel reëel. Er is eigenlijk geen enkele partij die dit kwalijke gedrag kan afstraffen. Persoonlijk tref ik de 1e klas praktisch altijd nagenoeg leeg aan. Dat vind ik een sterke indicatie dat de hier geschetste immorele onderinvestering daadwerkelijk plaatsvindt.

Om die reden vind ik dat de NS te luchtig over commentaar op dit punt heenstappen. De NS onderkennen niet dat er een sterke prikkel is om te weinig zitplaatsen in de 2e klas te hebben, en tonen niet aan dat zij hier bewust beleid tegen voeren.

Een en ander zou de concessieverlener, de Nederlandse Staat, moeten bewegen om strengere eisen aan de concessie te stellen. Maar daar mogen we weinig van verwachten, want het Rijk verleent niet alleen de concessie, maar is ook eigenaar van de NS. Dat zijn tegenstrijdige belangen die in dit geval er toe leiden dat 2e klas treinreizigers af en toe moeten staan, omdat dat onder de streep de kas van de NS als monopolist spekt.

VVD programma besproken

Mijn politiek voorkeur is geen groot geheim, en ik vind het wel aardig om eens de beknopte verkiezingspunten van de VVD door te lopen.

Bezuinigingen

* De VVD wil een kleinere staat met een kwart minder politici, halvering van het aantal ministers en veel minder ambtenaren. Dit levert 4 miljard euro op in 2015, oplopend naar ruim 6 miljard in 2020.
* De VVD wil uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking en de afdracht aan de Europese Unie halveren. In 2015 bespaart dit 4,5 miljard euro belastinggeld, oplopend naar 5,5 miljard in 2020.
* De VVD wil de kansloze immigratie tot nul beperken en stoppen met inburgeringssubsidies. Immigranten moeten voor werk en niet voor de uitkering naar Nederland komen, dus de eerste tien jaar in Nederland krijgen zij geen uitkering. Dit levert 0,5 miljard euro op in 2015, oplopend naar een kleine 2 miljard in 2020.
* In de sociale zekerheid wordt de re-integratiebureaucratie beperkt en alleen écht jong gehandicapten krijgen een uitkering. De WW wordt korter, maar de eerste maanden hoger. Dit leidt in 2015 tot 4 miljard euro besparingen, oplopend tot 9 miljard in 2020.

Minder ministers en minder ambtenaren is een terugkerend punt natuurlijk. In mijn ogen is dat alleen mogelijk als de overheid ook daadwerkelijk minder gaat doen. De indruk dat je met het modewoord ‘efficiencyslagen’ miljarden kunt bezuinigen vind ik niet realistisch. Minder ambtenaren leidt te vaak tot de inhuur van ‘consultants’ en die zijn bepaald niet goedkoper.

Minder geld naar EU en ontwikkelingssamenwerking ben ik niet bijzonder enthousiast over. De bijdrage aan de EU zou inderdaad eerlijker kunnen, maar wat betreft ontwikkelingssamenwerking vind ik dat we ons aan internationale afspraken moeten houden. Dat anderen dat niet doen, is voor mij geen reden om het dan ook maar niet te doen. Afspraken maken en nakomen betaalt zich ook uit, en slimme inzet van ontwikkelingshulp kan het Nederlandse bedrijfsleven ook van profiteren

Ook ben ik niet enthousiast over de negatieve houding ten opzichte van immigranten. Ja, ik ben het er mee eens dat mensen hier niet voor een uitkering horen te komen. Ik vind daarentegen ook dat als je bijdraagt aan sociale verzekeringen, dat je er ook van hoort te profiteren als dat zo uitkomt. Onderzoek eens, zoals bij de AOW, of je rechten kunt opbouwen als immigrant en op basis daarvan uitkering krijgt. Tien jaar sowieso niets is mij te gortig, en lijkt mij oneerlijk ten opzichte van Nederlandse uitvreters.

Beperking van de sociale kant van de arbeidsmarkt (WW etc.) vereist in mijn ogen dat ook iets aan het ontslagrecht wordt gedaan. Als ik minder WW krijg, moet het een toekomstige werkgever ook gemakkelijker gemaakt worden om mij aan te nemen en te houden. Nu blokkeert het ontslagrecht het aannemen van personeel, want wanneer kun je pas weer van iemand af is maar de vraag. Alleen bezuinigen op WW en degenen die, soms enkel met mazzel, hun baan behouden ontzien, is onvoldoende: het ontslagrecht moet ook soepeler.

Investeringen

* De VVD investeert in veiligheid door méér blauw op straat: 3.500 agenten extra, ook op het platteland.
* De VVD investeert jaarlijks 500 miljoen euro in extra wegen en een forse uitbreiding van het spoorwegennet.
* De VVD investeert 2,5 miljard euro in de kwaliteit van het onderwijs waarmee deze een stevige impuls krijgt.

Zondermeer goede punten lijkt mij. Forse uitbreiding van het spoorwegennet lijkt mij in Nederland de aangewezen manier om woon-werk verkeer mogelijk te houden. Het Nederlandse net schijnt aan de capaciteitsgrenzen te zitten, dus uitbreiding van de infrastructuur is een uitermate verstandig plan. Daarnaast vind ik dat onderwijs erg belangrijk is om sociale verschillen te beperken. Waar sommigen denken dat je met kleptocratentaksen alles oplost, zal een verstandig mens erkennen dat de economie waarin wij leven capaciteiten beloont. Daar is geen progressieve belasting tegen opgewassen. Met dat gegeven moet je dus proberen de capaciteiten van iedereen te maximaliseren, want daarmee bereik je echte nivellering. Investeren in het onderwijs is daarvoor in mijn ogen een geschikt middel, en effectiever en socialer dan even een uitkering of toptarief optrekken.

Vernieuwingen

* Op basisscholen krijgen kinderen weer les in d’s en t’s, de kwaliteit van het vakonderwijs moet omhoog en de VVD wil meer academici voor de klas.
* De VVD kiest voor betaalbare zorg van betere kwaliteit en dichter bij huis.
* Werken en ondernemen moet weer lonen, daarom verlaagt de VVD de belastingen.

Zo beschreven houdt het nog niet veel in. In hoeverre deze wensen betaald kunnen worden vraag ik me af. Wel deel ik de mening dat als wij vinden dat de kwaliteit van het onderwijs en de zorg omhoog moet we in allerlei opzichten daar ook voor moeten willen betalen: meer investeren en betere arbeidsvoorwaarden voor onderwijzers en zorgverleners. Belastingverlaging zou in mijn ogen moeten kunnen, maar lijkt mij niet strikt nodig. Zeker niet als de hypotheekrenteaftrek bijvoorbeeld in stand blijft. Belastingverlaging in de laagste schijf zou ik wel interessant vinden om te proberen ook laaggeschoolden maximaal aan werk te helpen.

Wat wil de VVD niet?

* De VVD wil niet tornen aan de hypotheekrenteaftrek (de overdrachtsbelasting willen we wél aanpakken).
* De VVD wil direct stoppen met de kilometerheffing.
* De VVD wil de Bosbelasting (inkomensafhankelijke ouderenbelasting) afschaffen.

Het gedachtenexperiment dat ik altijd doe bij de hypotheekrenteaftrek is of je het zou invoeren als het er nog niet was: nee. Het verstoort de markt niet zozeer, maar het is wel een bizarre manier van rondpompen van geld. Ik zou het willen afschaffen, en niet omdat de rijken bevoordeeld worden (dat valt reuze mee), maar omdat het een ondoelmatig vreemd fiscaal vehikel is.

Zeker de spitsheffing was een interessante mogelijkheid om efficienter gebruik te gaan maken van het wegennet. Nu waren de Nederlandse ambities weer over de top, maar beter onderzoeken of er niet toch wat meer prijsdifferentiatie kan komen op de weg zou ik niet zo tegen willen zijn als de VVD nu. Ik zie meer kansen voor de economie, dan bedreigingen rond dit dossier.

Over de Bosbelasting heb ik niet echt een mening. Volgens mij heeft niemand daar echt onwijs veel pijn van, dus waarom die fiscalisering van de AOW er af moet zie ik niet zo. Zeker niet omdat die groep naar het nu lijkt eerder met pensioen heeft kunnen gaan dan toekomstige generaties.

Kerstvakantie: scriptie Rechten

Zoals te lezen viel hier ben ik eind oktober afgestudeerd als econoom: Afgestudeerd als Econoom!

Wat resteert er nu nog voor deze mr.drs.-student? Deze maand heb ik inmiddels twee mondelingen succesvol afgerond. In januari nog een schriftelijk tentamen en een mondeling. Tijdens het tweede semester staat maar één vak: Materieel Bestuursrecht. Ja… En een afstudeerscriptie natuurlijk en dat is het onderwerp van deze post en ten dele het onderwerp van deze kerstvakantie.

Het onderwerp van mijn scriptie rechten behelst op dit moment het geven van een rechtseconomische analyse van clustering door overheden in het aanbestedingsrecht. Ik zie de “Wat?!”-blikken al. Mijn ambitie voor de korte termijn na het afstuderen gaat richting ruimtelijke ontwikkeling en meer specifiek binnen rechten leek het mij interessant om met een rechtseconomische bril het aanbestedingsrecht in te duiken. Het specifieke onderwerp van clusteren door de overheid kwam op door: Clustering van overheidsopdrachten; mededingingsbeperkend of aanbestedingsefficiency?

De scriptie moet nog geschreven worden, maar ik heb mijn ‘antennes’ al wel uithangen in de wereld van het aanbestedingsrecht. Begin deze maand zat ik al bij Van Benthem & Keulen Advocaten uit Utrecht om van gedachten te wisselen. Vandaag heb ik me gestort op een dikke twee maanden Cobouw, het dagblad voor de bouw, met als voorlopig resultaat een mooie knipselkrant zeg maar. Zo op het oog zitten er kort door de bocht twee kanten aan het verhaal. Het MKB, en de Europese/Nederlandse overheid met hen, is van mening dat clusteren niet moet omdat dit concurrentiebeperkend zou zijn. Daartegenover staat dan de observatie dat aanbestedingen veel tijd en geld kosten en dat met meer kleine aanbestedingen dat alleen maar erger wordt. Gegeven dat kom je dus met minder clusteren van de regen in de drup.

Alles goed en wel, maar ik schijn geroepen te hebben dat deze scriptie eind januari af moest zijn. Dus niet, maar iets er aan doen deze dagen lijkt mij een goed plan. Naast het gebruikelijke kerst- en nieuwjaarvertier natuurlijk!