Levenslang, tenzij…

Nederland moet levenslang gestraften uitzicht geven op vrijlating. Voorgesteld is om hiervoor na 25 jaar een toets in te voeren. Deze toets bekijkt of iemand vrijlating verdient. Wat als we dit doortrekken in een gedachte-experiment?

Een alternatief is “levenslang-tenzij”. Een misdrijf leidt daarin altijd tot levenslang. De rechter beslist over het eerste moment en/of de frequentie van toetsing. Deze aanpak is humaner, persoonlijker en meer preventief.

Levenslang is nu uitzichtloos. Dat zegt het mensenrechtenhof in Straatsburg. En omdat “levenslang-tenzij” altijd uitzicht biedt, wordt het strafrecht humaner.

“Levenslang-tenzij” maakt straffen ook persoonlijker. De bij toetsing gebleken mate van berouw, inzicht en kans op geslaagde re-integratie bepaalt of iemand vrij komt. Minder terugkijken naar wat iemand gedaan heeft; meer vooruitkijken naar wat iemand gaat doen.

Omdat het risico op herhaling een rol speelt bij toetsing verwacht je op termijn minder misdrijven. Het preventieve karakter van het strafrecht wordt zo met “levenslang-tenzij” versterkt. Iemand die niet leert van de straf, komt niet meer vrij. Iemand die wel van de straf leert, komt wel vrij.

Eerst is het moeilijk voor te stellen dat moordenaars soms eerder vrij komen dan tasjesdieven. Maar, een moordenaar die het, bij wijze van spreken, nooit weer zal doen, kan na enige tijd wel terug. Een notoire veelpleger die niet inziet wat fout is aan stelen, zien we, misschien, liever gewoon niet terug. Dat is “levenslang-tenzij”.

Nota bene
Voorgaande is een gedachte-experiment. Ik sta niet stil bij praktische uitvoerbaarheid. Noch is uitputtend naar mogelijke bezwaren gezocht. Graag lees ik het (rechtsfilosofische) antwoord waarom “vrijlating-tenzij” beter is dan “levenslang-tenzij”.

Advertisements

Vermogensbelastingschijven

Capital door Piketty heeft ook in Nederland de discussie over vermogen aangezwengeld. Kort gezegd: de rijken worden rijker, en de armen armer. In Nederland kennen we bovendien de vreemde figuur forfaitaire vermogensbelasting: vermogenden betalen belasting over een verondersteld rendement. In de praktijk komt het neer op een percentage (30% belasting over 4% rendement = 1,2%) van het vermogen, exclusief een drempelvermogen.

In verschillende artikelen op Me Judice (1) (2) wordt gesuggereerd dat we terug moeten naar registratie van het daadwerkelijke inkomen uit vermogen om dit vervolgens te belasten. De redenen om dit te doen zijn bijvoorbeeld dat niet elke spaarder hetzelfde rendement haalt, laat staan 1,2% als “kleine” spaarder bij een grootbank. Grotere vermogens halen gemiddeld een beter rendement, stelt de literatuur. Er is een eenvoudiger oplossing, dan registratie, om de verschillen in rendement door de hoogte van het vermogen fiscaal mee te nemen: vermogensbelastingschijven.

Vermogensbelastingschijven stellen voor verschillende niveaus in vermogen een forfaitair rendement en (afwijkend) belastingtarief vast, net als dat al gebeurt in de inkomstenbelasting. De voordelen zijn:

  1. Behoud van de relatief eenvoudige registratie met lagere kosten voor controle: alleen het niveau telt, en niet allerlei inkomensbestanddelen die er uit verkregen zijn.
  2. Bij het vaststellen van de hoogte van de schijven en het belastingtarief is rekening te houden met het hogere gemiddelde rendement uit een hoger vermogen.
  3. Meer prikkel om vermogen optimaal te alloceren, want de fiscus doet niet “mee” als het rendement mee- of tegenvalt. De belasting is onafhankelijk van het verkregen inkomen.
  4. Dat laatste betekent ook dat de belastingopbrengsten zekerder zijn.

Om die redenen kan het corrigeren voor laag rendement op (vooral) kleinere vermogens beter via vermogensbelastingschijven gebeuren, dan door (weer terug naar vroeger) het daadwerkelijke inkomen uit vermogen te belasten.

(1)
Jan Nelissen, “Gemiste kans voor een betere belasting over vermogenswinsten”, Me Judice, 13 juli 2015.

(2)
Alman Metten, “Inkomen uit vermogen: de grote ongelijkmaker”, Me Judice, 17 juli 2015.

Kilometerheffing horde te ver?

Om vrijheden overeind te houden, doen we er goed aan niet overal een prijs aan te hangen. Een voorbeeld hiervan kan de spits- of kilometerheffing zijn, welke uit het oogpunt van vrijheid een zoveelste horde opwerpt.

Vorige maand meldde het CPB dat een kilometerheffing op drukke wegen in de spits gunstig is voor de welvaart, maar lastig uitvoerbaar is. Het persbericht komt er op neer dat invoering niet haalbaar is als we er ook wat mee willen opschieten. Achter de kilometerheffing gaat daarnaast ook een belangrijke politieke afweging schuil.

De toegang tot de weg wordt immers ingeperkt met een kilometerheffing en dat maakt het een politieke afweging. Voor wie de weg op wil, zijn er al de kosten van de auto en de brandstof (inclusief accijns). Hoeveel meer wil je als maatschappij dan nog doen om mensen, weer via hun portemonnee, te ontmoedigen alsnog de weg op te gaan?

Je kan met elkaar besluiten dat iedereen vanaf een bepaald punt moet kunnen gaan wanneer hij of zij dat wil. Een kilometerheffing is op te vatten als de zoveelste horde die het recht van de sterkste beschermt: “Omdat ik veel verdien, heb ik er meer voor over om in de spits te rijden, en mag een ander om de spits heen werken.” Niet mooi.

De spits is net als de rij bij de kassa een “gelijkmaker”: een van die weinige momenten dat we gewoon op onze beurt moeten wachten en ongeacht status gelijk zijn. Dan leven we af en toe nog een beetje in elkaars wereld. Dat moet zo blijven, want met rijkdom koop je dan misschien meer merkspullen, maar niet al maar meer vrijheid.

Uit maatschappelijk oogpunt kan een kilometerheffing alsnog gewenst zijn, al blijkt dat niet uit de CPB-analyse. Maar de kilometerheffing mag zeker geen achterdeur zijn om burgers uit de file te pesten.

Kanttekeningen bij rechterlijke toetsing aan de Grondwet

Het is de vraag of de wens van de Rechtspraak, om het verbod wetten en verdragen te toetsen aan de Grondwet op te heffen, gepast is. Het roept immers meerdere vraagtekens op bij de rol van de rechter in Nederland.

In hoeverre is het, ten eerste, passend dat de rechterlijke macht een Grondwetsartikel wenst af te schaffen? Dat is een fundamenteel punt, en ik meen dat die rol bij de politiek ligt, en niet bij de rechter. Wat betekent het dat de rechter wenst te toetsen aan een Grondwet waar zij van meent dat een onderdeel wel geschrapt mag worden?

In hoeverre is, ten tweede, de Grondwet voldoende specifiek om aan te kunnen toetsen? De Grondwet is veelal vrij algemeen omschreven, en behoeft vaak uitwerking via lagere wetgeving. Wanneer de rechter gaat toetsen aan de Grondwet kan in extremis de de democratisch gekozen volksvertegenwoordiging het primaat bij de uitwerking van de Grondwet verliezen. Het is ongewenst dat dogma’s en jurisprudentie in de plaats treden van de interpretatie door de wetgever.

Tot slot, is het de vraag of toetsen aan de Grondwet vergeleken kan worden met internationale verdragen. Zo geldt voor verdragen dat er geen (of beperkt) sprake is van een op dat niveau uitvoerende of wetgevende macht die rafelranden kan bijschaven. In dat geval is een rechterlijke toets als laatste bescherming tegen onrecht gewenst. Maar binnen de Nederlandse context zijn die, democratisch gekozen, wetgevende en uitvoerende macht er wel. En dat beperkt de behoefte aan het toetsen van wetten aan de Grondwet.

Voorgaande wil nog niet zeggen dat toetsing aan de Grondwet er niet moet komen, mits het zich vrijwel beperkt tot marginale toetsing.

Origineel: https://www.facebook.com/Rechtspraak/posts/510737529065079?comment_id=510837869055045

Werken voor de publieke zaak, na “Van Woerkom”?

Guido van Woerkom is afgehaakt voor het ambt van Nationaal Ombudsman. Wat zijn hiervan de gevolgen?

Van Woerkom werd eerst aangesproken op een boude discriminerende uitspraak, en overleefde alsnog de stemming in de Tweede Kamer. Vervolgens werd zijn vertrekpremie ter discussie gesteld, want die zou ongepast zijn. Teveel van het goede bleek uiteindelijk.

Maar, was die uitspraak nou zo erg dat het een kermis moest worden? De uitspraak was echt niet erg, volgens sommigen. En een vertrekpremie van een paar ton is geen nieuws. Bovendien, afspraak is afspraak. Ik vind het ronduit stuitend dat een afspraak tussen een privé persoon en een particuliere stichting zo onder het vergrootglas ligt. Dat terwijl ondertussen oud-corporatiebestuurders met brede grijns en zonder enig schuldbesef uitmeten hoe zij de maatschappij miljarden armer hebben gemaakt. De balans in ontsteltenis is volkomen zoek. Van Woerkom heeft excuses gemaakt voor zijn uitspraak en zijn vertrekpremie is een zaak tussen hem en de ANWB. Daarmee had het klaar moeten zijn, maar dat was het niet.

Het gevolg, ik blijf het herhalen, is dat talentvolle mensen minder interesse krijgen in de publieke zaak. Alles ligt onder het vergrootglas, en je mag als persoon publiekelijk aangesproken worden op een zakelijke privé-afspraak. Steek je energie in de aanpak van sociaal-economische problemen, in plaats van de vinger te heffen. Spreek de ANWB aan, en laat de man met rust. Waarom zou iemand voor de publieke zaak willen werken? Pek en veren is dan je deel. Neem gewoon afslag bedrijfsleven en rij door, want dan blijft dit je (waarschijnlijk) bespaard. Een land krijgt de publieke ambtsdragers die hij verdient, en Nederland verdient kennelijk kraak- noch smaakloze grijze muizen, die niet voor zichzelf opkomen.

Aanvulling: inmiddels zijn de namen van andere sollicitanten voor Ombudsman gelekt, wat gezien de geheimhouding niet de bedoeling kan zijn. Nog een reden voor (een competent) iemand om er niet aan te beginnen.

Gun politici leven na de politiek

Het beroep van politicus dreigt met de dag minder interessant te worden. De Europese Commissie adviseert vandaag namelijk het volgende:

Nederland moet beperkingen opleggen aan de banen die ministers en Tweede Kamerleden na vertrek uit de politiek kunnen aannemen, om zo corruptie en belangenverstrengeling in de toekomst te voorkomen.

Wat zijn hiervan de gevolgen?

  1. Talentvolle mensen denken wel twee keer na voordat ze de politiek in gaan, want dat wordt schadelijk voor je carrièreperspectief;
  2. Politici die er eenmaal zitten, blijven langer hangen omdat hun mogelijkheden buiten de politiek zijn ingeperkt.

Het tegenargument kan zijn dat wij onze politici zo goed belonen, dat een beperking er bij hoort. Natuurlijk is de beloning voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer meer dan modaal, maar het is in verhouding tot wat de markt talentvolle mensen te bieden heeft niet bijzonder. Gun politici gewoon een leven na de politiek.

Kabinet breekt overheidssector af

De inkomens van bestuurders die met belastinggeld worden betaald, zullen vanaf 2015 omlaag gaan. Op termijn gaan deze inkomensregels gelden voor alle medewerkers in de publieke en semipublieke sector.

Naast de besparing op de loonkosten zijn er economisch in grote lijnen twee gevolgen van dit beleid te geven:

  • Talentvolle mensen gaan vaker de overheidssector schuwen en vaker in de private sector werken;
  • Degenen die binnen de overheid blijven zullen minder gemotiveerd zijn en minder hard werken.

Minder talent en minder hard werken zal de diensten die de overheid levert natuurlijk schaden. Dat kan grofweg twee kanten opgaan: meer weggegooid geld of vaker inhuur vanuit de private sector. Beiden kanten komen er op neer dat de overheidssector wordt afgebroken. Misschien is dat de bedoeling, maar hoe cynisch als een kleinere overheid zo bewerkstelligd wordt.