Kilometerheffing horde te ver?

Om vrijheden overeind te houden, doen we er goed aan niet overal een prijs aan te hangen. Een voorbeeld hiervan kan de spits- of kilometerheffing zijn, welke uit het oogpunt van vrijheid een zoveelste horde opwerpt.

Vorige maand meldde het CPB dat een kilometerheffing op drukke wegen in de spits gunstig is voor de welvaart, maar lastig uitvoerbaar is. Het persbericht komt er op neer dat invoering niet haalbaar is als we er ook wat mee willen opschieten. Achter de kilometerheffing gaat daarnaast ook een belangrijke politieke afweging schuil.

De toegang tot de weg wordt immers ingeperkt met een kilometerheffing en dat maakt het een politieke afweging. Voor wie de weg op wil, zijn er al de kosten van de auto en de brandstof (inclusief accijns). Hoeveel meer wil je als maatschappij dan nog doen om mensen, weer via hun portemonnee, te ontmoedigen alsnog de weg op te gaan?

Je kan met elkaar besluiten dat iedereen vanaf een bepaald punt moet kunnen gaan wanneer hij of zij dat wil. Een kilometerheffing is op te vatten als de zoveelste horde die het recht van de sterkste beschermt: “Omdat ik veel verdien, heb ik er meer voor over om in de spits te rijden, en mag een ander om de spits heen werken.” Niet mooi.

De spits is net als de rij bij de kassa een “gelijkmaker”: een van die weinige momenten dat we gewoon op onze beurt moeten wachten en ongeacht status gelijk zijn. Dan leven we af en toe nog een beetje in elkaars wereld. Dat moet zo blijven, want met rijkdom koop je dan misschien meer merkspullen, maar niet al maar meer vrijheid.

Uit maatschappelijk oogpunt kan een kilometerheffing alsnog gewenst zijn, al blijkt dat niet uit de CPB-analyse. Maar de kilometerheffing mag zeker geen achterdeur zijn om burgers uit de file te pesten.

Advertisements

Werkgevers willen óók meer zekerheid

Flexibilisering van de arbeidsmarkt staat in de belangstelling. Steeds meer mensen worden zelfstandige, en uitzendbureaus en payroll-bedrijven groeien. Schijnconstructies worden aangepakt. Werknemers willen zekerheid. Werkgevers willen flexibiliteit. Door deze flexibilisering staat ook de scholing van werknemers onder druk. Een nieuw arbeidscontract kan deze wensen bij elkaar brengen, en zorgen voor meer scholing.

Zekerheid om te leven

Waarom willen werknemers zekerheid? Iedereen die werkt, heeft rekeningen te betalen voor behoud en groei van huis en haard. Met een (redelijk) zeker inkomen, kunnen mensen investeren in hun huis en andere duurzame goederen. Ben je niet zeker van je inkomen? Dan spaar je een appeltje voor de dorst, en investeer je niet. Ook niet in jezelf. Hier zit welvaartsverlies, want de meeste mensen geven uiteindelijk meer om een fijn leven, dan een volle spaarpot.

Flexibiliteit om te overleven

Waarom willen werkgevers flexibiliteit? Technologische vooruitgang neemt in razend tempo veel bestaand werk uit handen en maakt sommige beroepen zelfs overbodig. We hebben bovendien de afgelopen jaren gezien hoe sommige markten inzakken als de economie tegenzit. Onder die omstandigheden kan een werkgever, voor zijn eigen voortbestaan, niet aan al zijn werknemers gebonden zijn.

Minder scholing, lagere productiviteit

Toch kan niet gesteld worden dat werkgevers nu hun zin krijgen. Naast flexibiliteit hebben werkgevers behoefte aan vaardig productief personeel. Dit is te bereiken met scholing. Ook werknemers hebben baat bij scholing, om beter te verdienen en desnoods makkelijker ander werk te vinden. Maar nu, van beide zijden, arbeidscontracten vluchtiger worden, zijn zowel werkgevers als werknemers minder bereid in vaardigheden te investeren. Het resultaat is onderinvesteringen in scholing, en productiviteitsverlies.

Race naar de bodem

In feite zoeken veel werkgevers naar “goede” werknemers om in te investeren. En andersom zoeken veel werknemers naar “goede” werkgevers zodat ze in zichzelf kunnen investeren. Die situatie doet denken aan de “Market for Lemons“, waarin Akerlof illustreert hoe onder bepaalde omstandigheden alleen de slechtste auto’s aangeboden worden op de tweedehandsmarkt. Op de arbeidsmarkt blijven naar analogie alleen de meest onzekere banen over omdat zowel werkgevers en werknemers elkaar niet vertrouwen en niet in elkaar investeren. We riskeren voor veel werk een race naar de bodem, ten koste van werknemers én werkgevers.

Uitgesteld loon als oplossing

Om werkgevers en werknemers te motiveren in elkaar te investeren zou uitgesteld loon een oplossingsrichting zijn. Het uitgestelde loon wordt opgegeven als de werknemer voortijdig zijn contract opzegt. Werknemers die hun werkgever zekerheid willen bieden, nemen graag genoegen met uitgesteld loon in ruil voor scholing. En werkgevers die uitgesteld loon bieden, willen dit terugverdienen door hun personeel te scholen. Zodoende kunnen deze werkgevers en werknemers elkaar beter vinden.

Een contract tussen tijdelijk en vast

In de praktijk zou daarom een arbeidscontract tussen het tijdelijke en vaste contract gewenst zijn. Een tijdelijk contract is onaantrekkelijk voor scholing, zowel voor werkgever als werknemer. En alle werknemers een vast contract werkt voor werkgevers niet in deze dynamische tijd. Een tussenvorm met uitgesteld loon helpt werkgevers en werknemers elkaar vinden als ze beide willen investeren. Ondertussen lopen ten behoeve van de flexibiliteit wel telkens na zoveel jaar arbeidscontracten af. Een nieuw arbeidscontract met uitgesteld loon maakt investeren en scholing weer aantrekkelijk, zonder de last van een vast contract.

Verbod short selling niet inhoudelijk beoordeeld

Het was vandaag tussen de regels zoeken wat het Europees Hof van Justitie (HvJ) precies heeft geoordeeld over short selling. Samengevat: vrij weinig. Het ANP (via nu.nl) maakte er het volgende van.

EU-hof bevestigt verbod op short selling
Het verbod op het zogeheten short selling blijft overeind staan. Het Europees Hof van Justitie oordeelde woensdag dat er geen reden is om het besluit van de Europese autoriteit voor effecten en markten (ESMA) nietig te verklaren.

Er is niet gekeken of short selling inhoudelijk bezwaarlijk is. Er is evenmin (goed) gekeken of aan de voorwaarden voor het instellen van het verbod voldaan is. Er is alleen gekeken of de EU uberhaupt op deze wijze dit soort maatregelen mag nemen. Dat mag want “deze bevoegdheid is aan verschillende criteria en voorwaarden onderworpen die de speelruimte van deze autoriteit beperken, […]” en daarmee verenigbaar met het EU recht.

Het HvJ is wellicht ook niet de plaats om inhoudelijk de voors en tegens van short selling te wegen. Het Verenigd Koninkrijk vroeg daar ook niet om. Fortis werd kort na deze blog genationaliseerd. Het Nederlandse verbod heeft die neergang niet voorkomen. En ik ben overtuigd dat de informatiewaarde van short selling (nog steeds) wordt onderschat.

Link naar uitspraak van het HvJ

Kabinet breekt overheidssector af

De inkomens van bestuurders die met belastinggeld worden betaald, zullen vanaf 2015 omlaag gaan. Op termijn gaan deze inkomensregels gelden voor alle medewerkers in de publieke en semipublieke sector.

Naast de besparing op de loonkosten zijn er economisch in grote lijnen twee gevolgen van dit beleid te geven:

  • Talentvolle mensen gaan vaker de overheidssector schuwen en vaker in de private sector werken;
  • Degenen die binnen de overheid blijven zullen minder gemotiveerd zijn en minder hard werken.

Minder talent en minder hard werken zal de diensten die de overheid levert natuurlijk schaden. Dat kan grofweg twee kanten opgaan: meer weggegooid geld of vaker inhuur vanuit de private sector. Beiden kanten komen er op neer dat de overheidssector wordt afgebroken. Misschien is dat de bedoeling, maar hoe cynisch als een kleinere overheid zo bewerkstelligd wordt.

Stop importheffing Chinese zonnepanelen

Wanneer Europa een importheffing op Chinese zonnepanelen invoert, zouden er volgens de eigen Europese sector 242.000 banen op de tocht staan. Importheffingen zijn hoe dan ook een dom idee voor een economie die meent de meest innovatieve economie ter wereld te moeten worden. Een industrie tegen druk van buiten beschermen, maakt lui en gemakzuchtig. Als de eigen sector er ook niet aan wil, zouden alle alarmbellen af moeten gaan. Kamp is gelukkig tegen.

De Chinezen hebben last van overcapaciteit. Op het moment toen bleek dat in Azië er te veel platte schermen werden gemaakt, heb ik Brussel nooit over een importheffing gehoord. Nee, zulke platte elektronica interesseert Europa niet. Is het goedkoop, alleen maar mooi. Maar als het om duurzaamheid gaat, wil Europa vooraan staan. Ten koste van de Chinezen en de eigen burgers in dit geval. Laat ze daar in China lekker die panelen tegen een negatief rendement in elkaar zetten. Dan gaan wij wel iets zinvols doen.

Laat Brussel eerst maar eens beantwoorden wat een Europese consument er aan heeft dat zonnepanelen een stuk duurder worden. Verder dan populisme zullen ze niet komen.

Een importheffing op zonnepanelen klinkt ook een beetje als een bail-out van Duitsland. Een bail-out van Duitsland? Ja, want dat is binnen Europa de belangrijkste producent van die panelen. Aangezien die zelfde Duitsers langzaam de Euro aan het afbreken zijn, lijkt het mij niet opportuun dat Brussel zich voor het Duitse karretje laat spannen. Geen fatsoenlijke bail-outs voor Zuid-Europa door toedoen van onze Oosterburen? Dan helpen we de Duitsers ook niet met een importheffing.

Zet streep door zelfverrijking ouder-kindlening

In Nederland is het mogelijk dat ouders aan hun kinderen geld lenen voor de aankoop van een huis waarbij de rente over deze lening, zoals gebruikelijk, aftrekbaar is voor de belasting. De notaris waar ik de overdracht van mijn huis moest regelen adviseert in zijn nieuwsbrief dat het in ouder-kind situaties zeer aantrekkelijk kan zijn ‘om een zo hoog mogelijke rente op een eigen woning schuld te betalen.’

Onder de kop “Hoe hoger de rente van een ouder/kind-lening, hoe beter” wordt uiteen gezet hoe via de fiscaal vrije schenking het ‘te veel’ aan rente gewoon weer terug geschonken kan worden:

Vader en zoon sloten een geldlening-overeenkomst voor de aankoop van de woning van zoon. Zoon betaalt een rente van 8% en is verplicht op eerste verzoek van vader een hypotheekrecht te vestigen. De betaalde rente is vervolgens door vader weer deels terug geschonken. De inspecteur is van mening dat deze hypotheekrente niet aftrekbaar is bij de zoon aangezien de gevolgen van deze lening in strijd zijn met de strekking van de wet.

De rechter is het niet eens met de inspecteur en staat deze zelfverrijking toe omdat het mogelijk maken van deze constructie een ‘bewuste keuze van de wetgever’ zou zijn. Hoezo ‘zelfverrijking’? Des te hoger de betaalde rente, des te hoger de aftrek, zonder verdere nadelige gevolgen.

Ik heb daar moeite mee. In mijn ogen wordt hier misbruik gemaakt van enkele fiscale mogelijkheden wat ik niet anders kan opvatten als zelfverrijking. Akkoord, onder de huidige regels mag het, dus vooral doen zou ik zeggen. Maar, gezien de uitspraak van de rechter meen ik dat hier een taak ligt voor de wetgever. Dit druist in tegen elk ethisch besef van rechtvaardigheid en gelijkheid. Een streep er door dus: marktconforme rente vragen en geen cent meer, op straffe van het verlies van de aftrek.

Vastgoedcrisis twintig jaar van nu

Navolgend artikel is fictief en op persoonlijke titel geschreven; dit artikel diende ter inspiratie. Het schetst een denkbaar scenario voor de ontwikkeling van het commercieel vastgoed in relatie tot de rol van de overheid bij de woningbouwprogrammering de laatste decennia. Een rol waar nu van teruggekomen wordt.

Nieuwbouw tot crisis te ‘publiek gestuurd’

30-01-2033 | Laatst gewijzigd: 30-01-2033

De nieuwbouw van commercieel vastgoed was tot aan de crisis najaar 2028 ‘zeer sterk publiek gestuurd’. Het aanbod was niet (primair) afgestemd op de voorkeur van gebruikers, maar op wat ‘goed is voor Nederland’, vastgelegd in beleid van Rijk, provincies en gemeenten.

Dit commentaar ontving de tijdelijke commissie Commercieel vastgoed. Deze commissie stelt een parlementair onderzoek in naar de leegstandsontwikkeling en zwakke concurrentiepositie van het Nederlandse commercieel vastgoed.

Overheden schreven tot de crisis bijna alles op de commerciële vastgoedmarkt voor. Zowel wat betreft locatie (kantoren bij treinstations, winkels in de binnensteden en bedrijfsruimten op bestaande locaties), stedenbouw (ontsluitingen, groen, water, parkeren), aantallen, dichtheid (hoog), programmering (SER ladder), multifunctioneel gebruik (winkels in de plint), architectuur als wat betreft kwaliteiten (duurzaamheid, energiezuinigheid, aanpasbaarheid en veiligheid).

De gevolgen hiervan zijn bijvoorbeeld kantorenlocaties nabij grote stations die de laatste decennia sterk zijn gegroeid, maar waar de vraag uiteindelijk niet in dezelfde mate is geland. De plancapaciteit voor kantoren is na de crisis begin deze eeuw zo beperkt dat uitbreidingsvraag alleen nog rondom stations kon worden geaccommodeerd. Op termijn zijn enkele monofunctionele locaties grondig geherstructureerd en hebben vervolgens weer gebruikers uit de drukke stationsgebieden aangetrokken.

Het winkellandschap lijkt in eerste instantie gezond, maar doordat winkels alleen nog werden toegestaan in de binnensteden zijn consumenten meer dan in omringende landen op internet gaan winkelen. Voor sommige boodschappen zijn de parkeer- en reiskosten van de binnenstad bijvoorbeeld te hoog. Een deel van de binnenlandse detailhandelsbestedingen zijn bovendien bij buitenlandse internetwinkels terechtgekomen. In het buitenland zien we dat consumenten meer in de eigen fysieke detailhandel besteden door de aanwezigheid van met de auto goed bereikbare locaties aan de stadsranden.

Het Topsectorenbeleid van de jaren ‘10 heeft uiteindelijk ook niet het gewenste resultaat opgeleverd. Een belangrijke reden hiervoor is de SER ladder geweest die verdere clustering en optimalisatie van de bedrijfsruimtemarkt heeft beperkt. De Topsectoren hebben zich niet optimaal kunnen vestigen, zoals nabij gelijksoortige bedrijven, en zijn ondergeschikt gemaakt aan het beperken van de leegstand op bestaande, vaak ongeschikte, locaties. De SER ladder heeft er vooral voor gezorgd dat het slechte is behouden en de dynamiek op de bedrijfsruimtemarkt is komen stil te liggen.

Commerciële partijen op de vastgoedmarkt steken ook de hand in eigen boezem. Na de crisis van de jaren ‘10 werd door veel partijen een grotere rol van de overheid verwelkomd. Voorgeschreven krijgen wat wel en waar mag, beperkte het ondernemersrisico danig. Potentiële concurrentie vanuit de plancapaciteit werd uit de markt genomen. Bestaande belangen werden beschermd tegen nieuwe toetreders en concepten. De schrik van de hoge leegstand zat er in de jaren ‘10 zo in dat kritiek op een grotere rol voor de overheid niet voor de hand lag.

Het afstemmen van de (onzekere) vraag op het aanbod via de plancapaciteit is onnodig. Zeker wanneer deze voor de markt toch niet interessant is om te ontwikkelen. Goed onderbouwde grondprijzen (en belastingen), afhankelijk van locatiespecifieke kenmerken zoals maatschappelijke kosten en baten van de ontwikkeling, maken van de overheid een marktmeester die verder alles aan de markt kan laten. De rol van de overheid is er een van flexibiliteit en het zoveel mogelijk openlaten van gelijkwaardige opties. De overheid hoeft alleen te zorgen dat er voldoende aanbod en alternatieven zijn om aan de constant veranderende gebruikersvraag te voldoen. Alleen op die wijze kan de Nederlandse commerciële vastgoedmarkt weer bijdragen aan een gezond vestigingsklimaat en economische groei.